Hoe een kleuter de dood ervaart

0
114

Deze cursiefjes zijn geschreven beelden van een oma die op haar kleinkinderen past (hun namen zijn fictief, foto’s onherkenbaar omwille van privacy) en telkens zo ontroerd is, dat ze over hen MOET schrijven …

Op het grote binnenplein op school springt Louisa me tegemoet, haar jas op de arm, zwaaiend met haar kampboekje: ‘We gaan op kamp in het jarerhuis (Jagerhuis), en mama en papa doen de boodschappen, en de mama en papa van Lena ook, en het is één nachtje slapen en twee dagen, en – ze frutselt aan een haarspeld – Hassen die zette mijn spelden hier omdat hij vond dat mijn haar in de weg zat.’ Haar stem klinkt ineens pruilerig. Ik voel haar handje zweten en help haar de spelden wegsteken. ‘Het moet in mijn linker zak, mijn andere zak plakt van een lolly.’ Ze lacht nu.

We steken de drukke speelplaats over. Aan de fietskar vertelt ze verder over Hassen:
‘Hij is vanaf morgen weg, hij gaat op reis naar Zuid-Afrika, maar het is een beetje triestig, want zijn opa is gestorven, en daarom gaat hij daarnaar toe. En hij gaat daar lang zijn.’ Haar ogen staan droevig.

De dag ervoor begeleidde ik op de middag het ‘boterhammen-uur’ in haar klas. (Het is de gewoonte dat grootouders of ouders inspringen op de middag.) De aardbeien in de broodtrommels roken zoet naar lente en mooi weer. Een meisje had geen trek in boterhammen. Ik moedigde haar aan: ‘Eén beet voor mama,…’ ‘één voor papa …,’ vervolgde Louisa die naast me zat. ‘Nee, dat kan niet, mijn papa is dood’, zei het meisje vlak. Haar stoel wiebelde vervaarlijk. ‘Oooh, was hij ziek?’, vroeg ik, terwijl ik haar zacht rechttrok. ‘Hij is dood’, herhaalde ze terwijl ze nog op de ‘boterham voor haar mama’ kauwde. ‘Heb je broertjes of zusjes?’ ‘Nee, ik heb twee poezen. Gisel en Nono.’ De kinderen rond de tafel lachten: ‘Gisel en Nono!?’ ‘Dus nu een hap voor …’ Poes Gisel!’ klonk het in koor. Het meisje lachte mee.

‘Waarom zijn ze dood?’ vraagt Louisa onmiddellijk. ‘Omdat hun mama en papa, verdwaald zijn of gedood’, verklaart mijn moeder.

Op woensdagmiddag bij mijn ouders vertelt mijn vader Louisa het droevige nieuws over de dode vogeltjes in de kooi, die ze vorige keer nog levendig had gezien, hun gele bekjes wijd open voor insecten die hun ouders zouden brengen. ‘Waarom zijn ze dood?’ vraagt Louisa onmiddellijk. ‘Omdat hun mama en papa, verdwaald zijn of gedood’, verklaart mijn moeder. ‘En waar liggen ze begraven?’ vraagt ze terwijl mijn vader strak aankijkt. ‘O, ginder ver, in het park, ergens bij die hoop aarde’, zegt mijn vader luchtig. Louisa buigt zich voorover naar haar overgrootvader terwijl haar ellebogen op tafel rusten: ‘Ik zou graag hun begrafenisplekje zien.’ ‘Ja, dat zullen we straks doen’, zegt mijn vader geruststellend.

Louisa herhaalt dan haar verhaal over de dode kippen bij haar op school, dat ze ooit aan mij vertelde. ‘Pizza en Houtskool (de namen van twee kippen) zijn gestorven en dood. Ola en ik denken dat een vos ze heeft opgegeten.’ ‘Een vos?’ vraagt mijn moeder verbaasd. ‘Ja, door zijn mond.’ Louisa kijkt niet naar ons, maar naar een verte: ‘Houtskool ligt begraven naast de zandbak, Pizza is in de buik van de vos, alleen Kooltje blijft over.’ Mijn ouders lachen: ‘Pizza en Houtskool? Wat een gekke namen!’ Louisa antwoordt ernstig: ‘Houtskool is verf van vroeger, ze gebruikten geen verf maar houtskool om te schilderen.’ We worden stil van zoveel geleerdheid uit de mond van zo n klein meisje…

‘Dieren eet je alleen als ze dood zijn en als je vlees eet.’

Terwijl ze gehaktballen in tomatensaus smakelijk opeet die woensdagmiddag bij mijn ouders, beweert ze tussen twee happen door: ‘Dieren eet je alleen als ze dood zijn en als je vlees eet.’ ‘Welke dieren eet je dan?’ vraag ik. Ze haalt haar schouders op. ‘Een varken, een koe, een …’ , somt mijn vader op. ‘Een geit?’ vervolgt Louisa. ‘Die heb ik al eens gemolken! Die heeft melk. Een paard niet, hé. Ik heb al op een pony gezeten!’ Haar lichtblauwe ogen schitteren …

In de fietskar hoor ik haar het lied van de Zeven Geitjes zingen. En hoe die één na één in de buik van de wolf verdwijnen. Als ze uitstapt, stelt ze me een vraag, met opgetrokken wenkbrauwen en een wijsvinger naast haar wang: ‘Maar het kleinste geitje? …’ – ze wacht niet op mijn antwoord – ‘die verstopte zich in … de klok!’ Ze klakt met haar tong, terwijl ze in het rond springt als het bevrijde geitje.

In het leven van mijn vierjarige kleindochter wandelt de dood in en uit, even vanzelfsprekend als de pijntjes, de schaterlachpartijtjes met haar broertje, geitjes en ijsjes …

Tekst en foto © Brigitte Puissant

 

Boeiend artikel? Help ons zin vinden en zin delen:

 Dank je wel!

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here