Chris: ‘Ik heb veel malchance met mijn lichaam, maar heel veel chance met de mensen rondom mij.’

0
22
© Dominik Vanheusden

Christiane Delcart komt sinds 1977 naar Gasthuisberg. Momenteel volgt ze nierdialyse. Ze leerde de pastorale dienst via een vriendin kennen. Dat hielp en helpt haar enorm: ‘De mensen van de pastorale dienst zijn geweldig, zonder meer. Ook al kunnen ze je niet genezen, toch kunnen ze je helpen om op een bepaalde manier met je situatie om te gaan.’

Je hebt een lange ziektegeschiedenis. Hoe ben je in dit ziekenhuis terecht gekomen?

Ik ben al van kindsbeen af ziek. Al die jaren en tot aan mijn volwassenheid ging ik van het ene naar het andere ziekenhuis in de regio Aalst en Dendermonde. Nergens had men een fatsoenlijke oplossing voor mij. In 1977 kwam ik hier in Gasthuisberg terecht. Mijn eerste opname was nog in Sint-Rafael, dat zal ik nooit vergeten. Ik verbleef er een maand. De dokter die me verzorgde, ben ik eeuwig dankbaar. Hij stelde de diagnose. Daardoor kreeg ik eindelijk ook een gepaste behandeling. Er volgden nog vele opnames. Telkens werd ik heel goed opgevangen.

Hoe kwam je in contact met de pastorale dienst?

De pastorale dienst leerde ik kennen via een vriendin. Zij was zelf pastoraal werkster en begeleidde een stagiaire. Dat meisje moest nog leren hoe ze gesprekken voerde en dus vroeg mijn vriendin of zij met mij haar eerste gesprek mocht voeren. Ik zei: ‘Oké, laat haar maar komen, ik sta daar zeker voor open.’ Dat meisje was Anne Gessler. Zo heb ik haar dus leren kennen. Het klikte meteen en via haar ben ik geïntroduceerd in de pastorale dienst.

Mijn man was heel erg op hen gesteld. Ik zal nooit vergeten hoe zij met hem zijn omgegaan.

Tijdens mijn opnames kwam ik heel vaak in de kapel en nam ik deel aan alle erediensten. Ik kon altijd bij Anne en de anderen terecht. Niet alleen voor een gesprek, ook voor andere vragen. Toen ik later minder vaak werd opgenomen maar toch nog in het ziekenhuis kwam, sprong ik altijd binnen op de pastorale dienst, gewoon om een praatje te maken. Een aantal jaren geleden, toen mijn man ziek was, hebben zij ook fantastisch voor hem gezorgd. Martijn en Anne zijn tot op het einde een enorme steun voor hem geweest. Mijn man was heel erg op hen gesteld. Ik zal nooit vergeten hoe zij met hem zijn omgegaan. Ik zie hen nog aan zijn bed staan om samen te bidden. Dat beeld zal ik nooit kwijt raken. Dat heeft hem deugd gedaan en ons ook.

Dat heeft jou geholpen om met jouw verlies om te gaan?

Absoluut, heel zeker. Na zijn overlijden heb ik deelgenomen aan enkele sessies rouwverwerking. Dat was heel troostend en bemoedigend en heeft mij veel goed gedaan. Het was een zeer diverse groep, maar iedereen had een geliefde aan kanker verloren: een kind, een ouder, een partner. De pastorale dienst heeft die ontmoetingen op een heel fijne manier aangepakt. Daardoor weekten ze nogal wat los bij ons.

De kaars die we in die sessies gebruikten, staat nog steeds op de tafel thuis.

Ik sta niet bekend als een zeer emotioneel mens, ik ben nogal rationeel. Maar tijdens deze sessies was ik telkens ‘gepakt’, zowel door wat zij aanreikten als door hoe de groep dat verwerkte. Het was zeer ontroerend en tegelijk deugddoend. De kaars die we in die sessies gebruikten, staat nog steeds op de tafel thuis. Ik zet ze in het midden zodat ik ze van alle kanten goed kan zien. Ik laat ze niet branden, want ik wil ze bewaren. Elke dag brand ik wel een andere kaars bij de foto van mijn man.

Je hebt heel wat ziekte te verwerken. Nierdialyse is niet niks en toch kom je heel positief over. Wat is jouw manier om met al dat lijden om te gaan?

Op medisch vlak heb ik veel problemen, mijn hele leven al. Ik heb veel malchance met mijn lichaam, maar heel veel chance met de mensen rondom mij en dat is veel belangrijker! Dankzij hen kan ik al die medische problemen aan. Mijn man was een schat, die heeft gewoon geleefd voor mij. Mijn ouders waren fantastische mensen. Ik heb één dochter en ik ben super dankbaar dat ik haar ondanks mijn zieke lichaam kon krijgen. Gelukkig is zij gezond en een echte schat. Bij haar heb ik twee kleinzonen. Zij zijn mijn toekomst.

Ik heb veel malchance met mijn lichaam, maar heel veel chance met de mensen rondom mij en dat is veel belangrijker!

Ik ben dus gelukkig door al die mensen rondom mij. Zij maken het voor mij mogelijk om op een fatsoenlijke manier met mijn ziekte om te gaan. Natuurlijk heb ik ook wel eens een mindere dag, wie niet? Een uitdrukking die ik vaak gebruik, is deze: ‘Ik heb veel meer om voor te leven dan om voor te sterven.’ Ik moet hier dus nog even blijven, hé…

Dat hopen we zeker! Je bent zelf gelovig. Wat betekent dat voor jou?

Ik ben in de eerste plaats in een gelovig gezin opgegroeid. Bij ons was dat vanzelfsprekend. Iedereen van onze familie was gelovig. Van kindsbeen af voelde ik mij goed in de kerk. Nu nog. Doordeweeks ga ik wel eens in de kerk zitten. Ik voel me daar goed, dat doet iets met me. Ook Taizé heb ik heel vaak bezocht. Daar voelde ik me zo goed, zelfs als ik lichamelijk niet oké was. Ik kan niet zonder het geloof, het doet iets met mij.

Wat is dat dan precies?

Het brengt mij tot rust. Als ik in de kerk zit, voel ik me zo verbonden. Ik kan dat niet missen. Ik ben geen pilaarbijter, maar ik heb dat geloof nodig.

Heb je nooit gedacht: ‘God, wat doe je mij aan?’

O ja, natuurlijk wel! Ik ben boos geweest op God, vaak zelfs! Zeker toen ik Jo verloren ben. Maar een waaromvraag wordt nooit beantwoord. Er is geen waarom. En dus probeer ik op de best mogelijke manier met moeilijke dingen om te gaan. Eerlijk gezegd ben ik al mijn ganse leven een vechter. Dat moest wel, om verder te kunnen leven. Ik heb een sterke wil, echt waar. Ik wilde vooral binnen mijn beperkingen – die er absoluut zijn – zo maximaal mogelijk leven. Gezonde mensen hebben een breed levenspad maar ze gebruiken het maar gedeeltelijk. Ik heb een beperkter levenspad, maar ik gebruik het wel helemaal met al mijn mogelijkheden. Ik heb vanalles geprobeerd in mijn leven, ik heb van alle mogelijkheden op mijn levenspad geproefd, ook al kon ik die lichamelijk vaak niet volledig benutten.

Ik heb een beperkter levenspad, maar ik gebruik het wel helemaal met al mijn mogelijkheden.

Ik leef trouwens nog steeds op deze manier. Ik ben mijn ouders heel dankbaar omdat ze mij zo hebben opgevoed: ik moest altijd vanalles proberen. Anders weet je niet of je iets kan en of het voor jou geschikt is. Ik heb dus veel uitgeprobeerd en er telkens zoveel mogelijk uitgehaald. Zo heb ik een tijdje in de Verenigde Staten gewoond, bij familie weliswaar. En ik heb gestudeerd, al miste ik veel lessen. Maar ik had veel hulp van mensen rondom mij: medeleerlingen bijvoorbeeld die zorgden voor nota’s. Leerkrachten en proffen gaven me ook ontzettend veel. Dat is misschien de reden waarom ik zoveel aankan: omdat ik zoveel krijg van mensen.

Ik zie een witte stok naast jou staan …

Ja, de laatste vijf jaar heb ik een bijkomend probleem: ik zie maar een heel klein beetje meer. En nu ontmoet ik dus dagelijks vriendelijke mensen. Ik neem de bus naar de stad. Dat is echt geen probleem: er is altijd iemand die me helpt, zelfs als het niet nodig is. Maar als de mensen zo vriendelijk zijn, dan accepteer ik hun hulp en bedank ik hen ook. Ik vind dat ik dat moet doen.

Wat zou je willen zeggen aan mensen die in het ziekenhuis slecht nieuws krijgen?

De mensen van de pastorale dienst zijn geweldig, zonder meer. Ook al kunnen ze je niet genezen, toch kunnen ze je helpen om op een bepaalde manier met je situatie om te gaan.

Sommige mensen aanvaarden hun toestand, anderen zijn opstandig. Dat is allemaal des mensen.

Je hebt natuurlijk geen ‘vrede’ met je ziekzijn en met je slechte vooruitzichten, maar je hebt wel je eigen verwerkingsproces. Sommige mensen aanvaarden hun toestand, anderen zijn opstandig. Dat is allemaal des mensen. De pastorale dienst helpt je om dat in het juiste perspectief te zien en om er enigszins ‘zin’ aan te geven, al is dat misschien niet het juiste woord. En dat waardeer ik enorm. Ik ben heel blij met hen. Zij hebben mij al jarenlang gesteund en dat doen ze nog altijd. Ik hoef maar een half woord te zeggen en ze zijn er.

Je bent contact blijven onderhouden …

Ja, Anne is in de loop der jaren zelfs een goede vriendin geworden. We kennen elkaar intussen al achttien jaar. Mijn man zaliger heeft haar trouwfoto’s gemaakt.

Zin is een moeilijk woord. Hoe zou je dat uitleggen?

Alles in het leven heeft een doel. Op een bepaald moment moeten wij allemaal deze wereld verlaten. Dat is voor ons allemaal op een aparte manier en op een apart tijdstip. Ergens moet je voor jezelf erkennen dat jouw ogenblik gekomen is. Daar tegenin gaan is meestal zinloos. Als je er dan toch niet tegenin kunt gaan, is het voor jezelf en voor je omgeving  zoveel beter om daar een zekere vrede mee te nemen. Dat komt niet vanzelf, dat is een proces. Daar kan de pastorale dienst je ook bij helpen. Mijn man heeft dat geweldig kunnen doen, dankzij hen. De laatste weken waren Anne en Martijn heel vaak bij hem. Mijn man had heel veel aan die gesprekken, ook al gingen die over dagelijkse dingen. Dat gaf zin aan de laatste periode van zijn leven. Anne Gessler en Anne Vandenhoeck – die ook een heel goede vriendin is geworden – hebben in de Sint-Jan-De-Doperkerk van Leuven samen de uitvaartdienst verzorgd, volledig zoals Jo dat had gewenst. Dat was fantastisch.

We lagen samen in bed. We hebben de hele dag gepraat over ons leven, over wat er aan het gebeuren was en over mijn verdere leven.

De voorlaatste dag heb ik de hele tijd naast hem in bed gelegen. Ik ben niet breed en hij was heel mager geworden – met z’n twee wogen we minder dan zijn gewicht van vroeger. Zo lagen we samen in bed. We hebben de hele dag gepraat over ons leven, over wat er aan het gebeuren was en over mijn verdere leven. Dat dat kon, was geweldig. Hij was stervende en hij was met mij bezig: ‘Jij gaat dat goed kunnen, ik zou dat niet kunnen, maar jij wel, jij moet goed verder leven.’

Zijn hele volwassen leven heeft hij voor mij gezorgd, ik heb hem de laatste twee jaar verzorgd. Hij was dat zorgen zodanig gewend dat hij zelfs in zijn laatste momenten aan mij dacht. Dat is toch wel geweldig … Hij wàs ook een geweldig mens. Vlak voor we trouwden, vertelden mijn ouders hem dat hij nog altijd terug kon als hij dacht dat hij niet met een zieke vrouw zou kunnen leven. Hij heeft hen geantwoord: ‘Ik zie haar graag en ik zal mijn hele leven voor haar leven.’ En dat heeft hij dus ook echt gedaan, tot zijn laatste dag. Iedereen mocht hem graag. Hij was een lieve man, intelligent en sociaal voelend. Gewoon een fijn mens. Op 9 juli zouden we vijftig jaar getrouwd geweest zijn. Ik heb die dag op zijn gezondheid een glas cava gedronken…

Geloof je in een leven na de dood?

Wij weten dat niet, maar ik wil geloven dat er iets meer is dan deze wereld alleen!

Die liefde tussen jullie die zo groot is, mag niet stoppen, hé …

Nee … Ik heb een grote foto van hem. Die is ook bij de kerkdienst gebruikt. Hij heeft zijn lichaam aan de wetenschap geschonken. ‘Ze hebben zoveel voor mij en voor jou gedaan’, zei hij, ‘nu wil ik iets voor hen doen en dus schenk ik hen mijn lichaam. Dan kunnen ze nog iets bijleren.’ Dat heeft hij dus effectief gedaan. Hij heeft zelf voor alle nodige papieren gezorgd. En dus hadden we in de kerk geen urne of geen kist, wel een grote foto en allerlei voorwerpen die tijdens zijn leven van belang voor hem waren.

Als ik vroeger thuis kwam van de nierdialyse, dan deed ik de deur open en riep ik: ‘Joke, ik ben er!’ Wel, dat zeg ik nog altijd.

Die foto heb ik natuurlijk mee naar huis genomen. Die staat op de kast, met een kaars erbij. Elke avond steek ik die aan, want mijn man hield van licht. Foto, film, … dat is allemaal licht, hé? Ik praat tegen zijn foto alsof hij er echt is. Als ik vroeger thuis kwam van de nierdialyse, dan deed ik de deur open en riep ik: ‘Joke, ik ben er!’ Wel, dat zeg ik nog altijd. Het is misschien een beetje gek, maar ik praat nog met hem, luidop. Ik ben alleen, dus is er niemand die er wat van merkt. Dan ga ik voor zijn foto staan, ik leg mijn armen op de kast en ik praat tegen zijn foto. Dan vertel ik bijvoorbeeld wie ik die dag ontmoet heb of wat ik heb meegemaakt. Zoals vandaag: wanneer ik straks thuiskom, dan zal ik hem vertellen wat ik hier heb meegemaakt. Ik heb er behoefte aan om dat te doen. Ik heb altijd het gevoel dat hij mij hoort en mij antwoorden influistert. Dus ja, ik geloof dat er iets is na dit leven. Maar wat precies? Dat zullen we maar weten als het zover is, hé.

Interview: Johan Van der Vloet

Boeiend artikel? Help ons zin geven en delen

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here