Home Betalend Schrijfster Kolet Janssen: ‘Pijn, verdriet en dood gaan hand in hand met de kracht van leven’

Schrijfster Kolet Janssen: ‘Pijn, verdriet en dood gaan hand in hand met de kracht van leven’

0
Schrijfster Kolet Janssen: ‘Pijn, verdriet en dood gaan hand in hand met de kracht van leven’
Kolet Janssen © Kolet Janssen

Schrijfster Kolet Janssen nam samen met haar man drie pleegkinderen in huis. Langs die weg kwam ze in aanraking met situaties van ernstig familiaal geweld. Haar nieuwste boek ‘Andreas en de draak’ behandelt de thematiek van kindermishandeling. Ook als leerkracht kwam ze enkele keren in contact met een vertrouwensartsencentrum omdat leerlingen haar toevertrouwden wat ze thuis meemaakten. ‘Ik ben zeer alert als een kind zich niet goed in z’n vel voelt, ook al weet ik niet precies wat er scheelt. Sporen van mijn ervaringen vind je zeker terug in mijn boeken: in een of meerdere van mijn personages zit altijd een stukje pijn.’ 

Je bent vrijwilligster in speelOdroom. Wat doe je daar?

SpeelOdroom vzw is een ontmoetingsplaats voor kleine kinderen en hun ouders in het centrum van Leuven, gelinkt aan Huis van het Kind Leuven. Daar engageer ik me al tien jaar als vrijwilligster, samen met een hele ploeg. Het zijn open ontmoetingsplekken voor jonge kinderen tot vier jaar. Jonge ouders of grootouders komen ernaartoe om er samen met hun kinderen of kleinkinderen andere kinderen en volwassenen te ontmoeten.

Wie zijn die ouders en grootouders die naar speelOdroom komen?

Vaak zijn ze afkomstig uit andere landen of streken. Ze hebben weinig familie, vrienden en netwerken in de buurt. Ze zijn bijvoorbeeld gestart met een studie aan de universiteit of de papa werkt bij een grote firma in Leuven en de mama blijft thuis met jonge kinderen. Soms merken we hoe dingen scheef lopen omdat de ouders overvraagd en moe zijn. Er komen vele zaken op hen af.

Soms merken we hoe dingen scheef lopen omdat de ouders overvraagd en moe zijn.

Het loopt bijvoorbeeld minder goed in de partnerrelatie of ze maken zich zorgen over de familie in hun thuisland en ze kunnen niet bij hen op bezoek. Dat heeft allemaal invloed op de relatie met het jonge kind. Dan is het zeer goed dat er een plek bestaat waar ze kunnen ventileren, waar de dingen die in hun hoofd doordraven wat ontmijnd worden.

Die mama’s en papa’s coachen, is dat wat jullie doen?

Nee, helemaal niet. We zijn geen therapeuten. We luisteren met aandacht en zorgen dat de bezoekers met elkaar aan de praat geraken. We koesteren een ‘parler vrai’ zoals Françoise Dolto, de Franse psychoanalytica die ‘les maisons vertes’ oprichtte. Dat betekent dat we niet over het hoofd van het kind heen praten, maar het rechtstreeks aanspreken, ook al is het een kleutertje dat Roemeens spreekt. Kleine kinderen zijn ook mensen! We verwoorden wat we zien of denken te zien. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie dat je een probleem hebt. Ik kan het niet onmiddellijk oplossen, maar ik blijf wel bij jou.’ Die aanpak hanteren we zowel naar de kinderen als naar de ouders.

Pakken jullie dat intuïtief aan? Of krijgen jullie vorming?

Drie kwart van onze vrijwilligers zijn psychologen. Het initiatief is ontstaan bij mijn vriendin-buurvrouw die op Gasthuisberg werkte. Rond haar vijftigste wilde ze werk maken van een laagdrempelig en lokaal initiatief voor kleine kinderen en hun ouders, naar het voorbeeld van de ‘maison vertes’ in Frankrijk.

Eén keer per maand organiseren we intervisie om met elkaar te delen wat we zoal meemaken tijdens de onthaalmomenten. Zo ventileren wij op onze beurt onze gedachten en gevoelens. Daarna kunnen we weer aandachtig luisterend aanwezig zijn op onze volgende onthaalmomenten. Daarnaast nodigen we regelmatig sprekers uit om ons te inspireren.

Wat heb je geleerd van de kinderen en ouders in speelOdroom?

Ik heb gemerkt hoeveel het kan betekenen om eenvoudig ergens te mogen zijn. SpeelOdroom is een rustige plek waar ouders met hun kind bezig kunnen zijn. Er ligt speelgoed en er zijn andere uitdagende impulsen. Ik denk bijvoorbeeld aan ‘de rode lijn’. Die markeert de afscheiding tussen de plek waar kinderen met autootjes en trapfietsjes mogen rijden en de plek waar dat niet mag omdat daar kleinere kindjes op dekentjes liggen.

Veel mama’s en papa’s vinden het moeilijk om hun kind met grenzen te leren omgaan. Ze vinden het lastig om uit te leggen dat niet alles kan en waarom dat zo is. Het helpt hen om daarover met andere ouders te praten. Of om te merken hoe andere ouders bepaalde situaties aanpakken. Sommige mama’s reageren bijvoorbeeld behoorlijk angstig als hun kind van het glijbaantje roetsjt, anderen kijken daar nauwelijks van op.

Veel mama’s en papa’s vinden het moeilijk om hun kind met grenzen te leren omgaan.

Dan helpt het de eerste groep moekes om te zien hoe die relaxte aanpak ook werkt. Ze zeggen dan letterlijk tegen elkaar: ‘O ja, misschien moet ikzelf ook proberen om wat minder gespannen te reageren!’ Dat is prettig om te horen. Heel mooi ook om te merken hoe het zelfvertrouwen van die ouders groeit. Dat is heel goed voor hun kinderen! Wij zetten mensen in hun kracht, dat werkt positief op de opvoedingsrelatie. Die aanpak bij kleine kindjes voorkomt vele latere moeilijkheden tijdens de puberteit.

Op welke manier werken jouw ervaringen met moeilijke opvoedingssituaties door in de boeken die je schrijft?

Ik ben zeer alert als een kind zich niet goed in z’n vel voelt, ook al weet ik niet precies wat er scheelt. Sporen van mijn ervaringen vind je zeker terug in mijn boeken: in een of meerdere van mijn personages zit altijd een stukje pijn. Toch verwerk ik nooit letterlijk een waargebeurde situatie in wat ik schrijf. Alles wat ik gezien en meegemaakt heb, sterkt mij in de overtuiging dat mensen elkaar kunnen maken of breken.

Het doet zo’n deugd wanneer je kan ervaren: ‘Iemand ziet mij, iemand merkt wat ik graag zou willen of waarover ik een beetje onzeker ben.’ Door even aandacht te schenken, door iets kleins te doen, door een eenvoudig woord kan je iemand sterker maken of net het omgekeerde. Dat zie ik in speelOdroom aan de lopende band gebeuren.

Prachtig, die kleine goedheid … Heeft schrijven jou van kindsbeen af geholpen om het leven mooier te maken?

Tot mijn twaalfde was ik enig kind. Dat was niet makkelijk, omdat je voor alles alleen staat. Wel had ik – zoals zovele kinderen van die leeftijd – fantasievriendjes. Ik herinner me dat ik erg blij was toen ik kon lezen en schrijven. Meteen begon ik verhaaltjes te schrijven. Die ervaringen waren nog concreter dan de fantasievriendjes in mijn hoofd! Onlangs vond ik teksten terug over een hele familie met broertjes en zusjes die ik verzonnen had en met wie ik in het bos ging wonen. Door al die oefeningen leerde ik steeds beter schrijven!

Hoe gingen jouw ouders om met boeken en verhalen?

Mijn vader was veel bezig met verhalen en las vaak. Mijn moeder had daar geen interesse voor. Zij vond lezen eerder tijdsverspilling. Gelukkig werd ze daarin door mijn vader gecounterd en kon ik vaak in boeken duiken. Sommige mensen gaan eerder voor harmonie en kijken naar de goede kanten van een situatie. Ik ging in de tegenaanval wanneer lezen niet lukte. Nog steeds heb ik een agressief randje, ook al is dat niet leuk en vaak helemaal niet nodig.

Jij voelde dus van jongs af aan heel goed aan wanneer bepaalde situaties niet helemaal juist zaten?

Ja, dankzij mijn vader. Hij was sterk in ‘parler vrai’, ook al kende hij die term niet. Ik was amper vijf jaar oud toen ik er getuige van was hoe een kind uit de buurt door haar moeder verbaal agressief werd aangepakt. Mijn vader zei: ‘Het is niet goed om een kind zo te behandelen. Dat is niet goed voor het kind, niet goed voor de ouders en niet goed voor de omgeving.’

Door zijn woorden gaf mijn vader mij de vrijheid en het recht om correct aan te kijken tegen wat gebeurde.

Omdat hij dat zei, was het voor mij helder dat de aanpak van die moeder niet oké was, ook al kon de situatie niet opgelost worden. Door zijn woorden gaf mijn vader mij de vrijheid en het recht om correct aan te kijken tegen wat gebeurde. Ik denk dat ik dankzij zijn houding in mijn verhalen goed kan aangeven en verwoorden wat wel en niet door de beugel kan. De situatie an sich gaat misschien niet snel genoeg voorbij, maar je hoeft die duidelijk niet normaal te vinden.

Jouw innerlijk kompas is helder gebleven …

Ja, weliswaar met hulp. Achteraf heb ik me afgevraagd waarom zo weinig mensen uit de omgeving van dat kind aan de alarmbel hebben getrokken. Waarom hebben ze niet ingegrepen? Verschillende familieleden en buren wisten echt wel wat er bij haar thuis aan de hand was. Jaren later begreep ik dat het – zeker toen, maar vaak ook nu nog – not done was om in het gezinsleven van anderen tussen te komen.

zeker toen, maar vaak ook nu nog is het ‘not done’ om in het gezinsleven van anderen tussen te komen.

Er was wel een buurvrouw die dat meisje af en toe met chocomousse verwende, alhoewel ze zelf vier kinderen had en er bij haar thuis dus genoeg kandidaten voor dat dessert waren. Ik begreep dat dat de manier was waarop de buurvrouw aan het meisje liet weten: ‘Ik zie jou, ik wil iets liefs voor jou doen.’ Daarom heb ik haar in het boek van ‘Andreas en de draak’ binnengebracht, als een teken van hoop.

Niet weinig slachtoffers van huiselijk geweld leggen de schuld bij zichzelf. Hun innerlijk kompas is van slag …

Ja, dat is zo. Net daarom is het bemoedigend om te weten dat een paar goede relaties op school en in de buurt zo’n groot verschil kunnen maken.

Je hebt godsdienstwetenschappen gestudeerd en je schrijft ook boeken met een gelovige inslag. Denk je dat geloven in Iets of Iemand die je overstijgt een houvast kan zijn voor kinderen in zulke moeilijke situaties?

Die kinderen leven zeker niet in een zorgeloze situatie. Ze worden gedwongen om na te denken, om stil te staan bij wat er aan de hand is en bij wat hun eigen positie daarin kan zijn. Zelf ben ik van kindsbeen af met geloof bezig. Ik kon daar gelukkig met mijn vader over praten. Dat was in die tijd echt niet vanzelfsprekend. Nog altijd organiseer ik reünies met mijn klasgenoten van de middelbare school. Dan zeggen ze: ‘Jij was niet te doen, Kolet! Op de speelplaats ging je aan iedereen vragen waarin ze geloofden!’ Ik herinner me dat niet meer, maar het illustreert hoezeer ik met dat thema bezig was.

Het kan zo’n verschil maken als je in iets Hogers gegrond bent!

Ik had het geluk dat ik ook met leerkrachten in gesprek kon gaan. Ik herinner me een leerkracht die adventist was en daar veel reclame rond maakte. Die man kende de Bijbel buitengewoon goed en argumenteerde ons plat. Mijn vader en ik gingen toen samen op bijbelcursus om ons een beter beeld te kunnen vormen. Op een enigszins wetenschappelijke manier met geloof bezig zijn, was ons vader-dochter-moment. Ik wilde meer over het geloof weten omdat dat aspect zo belangrijk in het leven is. Het kan zo’n verschil maken als je in iets Hogers gegrond bent! Nochtans wilde ik eerst klassieke talen studeren. Ik volgde de richting Latijn-Grieks en die verhalen bieden ook in alle richtingen uitzicht op het leven.

Wat deed de balans dan doorslaan in het voordeel van godsdienstwetenschappen en niet van klassieke talen?

Wel, ik ging naar de opendeurdag van de opleiding klassieke talen. De proefles behandelde historische grammatica, spraakkunst van dode talen dus. Dat ging me echt te ver, daaraan wilde ik mijn tijd en mijn leven niet geven! In de opleiding godsdienstwetenschappen kregen we veel sociologie, psychologie, kunst en geschiedenis. Zo gingen er veel werelden voor mij open.

Hoe is jouw geloof en jouw aanvoelen van zingeving doorheen de jaren geëvolueerd?

Ik ben nooit het spirituele type geweest dat het wetenschappelijke luik er maar node bijnam. Nee, ik wilde juist graag zo rationeel mogelijk over geloof nadenken. Tegelijk kwam dat verlangen voort uit een zeer sterke ervaring van gedragen worden. Ik heb nooit echt getwijfeld aan de grond van mijn bestaan en van het bestaan van alles en iedereen. Je kan daar op vele manieren mee in contact zijn, je hoeft niet per se katholiek te zijn.

ik wilde graag zo rationeel mogelijk over geloof nadenken.

Die verbondenheid met alles wat is, geweest is en nog zal komen, die verbondenheid met mensen overal, met de sterke kracht van alles wat goed is en met de pijn die door alles wat kwaad is, veroorzaakt wordt, was voor mij zo belangrijk dat ik me daarin wilde verdiepen. Dat heb ik zowel tijdens mijn studies als tijdens mijn lesopdracht gedaan.

Vele mensen beweren dat die thema’s niets voor hen zijn…

Iedereen krijgt toch levensvragen op z’n bord? Bijvoorbeeld als je een kind krijgt, als je je afvraagt wat je hier op de wereld doet, als je verliefd wordt of iets ergs meemaakt … Allemaal situaties die je een plek in je leven moet geven. Ik wilde over de christelijke boodschap op een toegankelijke manier kunnen praten zodat mensen zouden beseffen dat die ook met hen te maken heeft.

Vaak denken leerlingen – en hun ouders – dat je in de godsdienstles over dingen praat die over onze hoofden heen gaan. Maar nee! In de godsdienstles praten we net over thema’s die in andere vakken vaak niet aan bod komen: we proberen de kern van het leven aan te raken. Onze christelijke traditie vertelt hoe we die kern doorheen de eeuwen hebben ervaren, en wat ons op onze levensweg kan helpen en richting geven. Andere tradities doen dat op hun eigen manier.

Wat is volgens jou het verschil tussen een psychologisch basisgevoel van veilige hechting en een eerder spirituele ervaring zoals jij die beschrijft?

Ik kan niet goed uitleggen waarom ik wel en andere mensen niet die transcendentie ervaren. Die helpt mij om het leven in een langetermijnperspectief te zien. Het hoeft allemaal niet tijdens mijn leven rond te zijn.

Zelf vind ik het mooi – en ik ervaar dat echt zo – dat ik een plek heb in de grote droom van een oerkracht.

Je kan dat natuurlijk puur menselijk zien en jezelf in de keten van de generaties situeren. Zelf vind ik het mooi – en ik ervaar dat echt zo – dat ik een plek heb in de grote droom van een oerkracht, van een scheppend en liefdevol wezen, of hoe je het ook wil noemen. Aan die droom kan ik – net als alle andere mensen – mijn steentje bijdragen.

Wat dan met al die erge dingen die in de wereld gebeuren? Denk maar aan de oorlog in Oekraïne…

Inderdaad, er gebeuren erge dingen in de wereld … En toch heeft het kwaad niet het laatste woord. Natuurlijk lijkt dat soms wel zo en soms is dat ook effectief het geval in ons persoonlijk leven. Toch blijf ik erop vertrouwen dat de kracht van het goede uiteindelijk sterker is. Dat is voor christenen het verrijzenisgeloof, al weet ik niet goed vanwaar dat precies komt. Pasen is nooit ver weg van Goede Vrijdag, in het leven van heel veel mensen en ook op onze aarde. Pijn, verdriet en dood gaan hand in hand met de kracht van leven. Pasen is dus voor mij dood en leven samen een plek geven in je leven. Het verhaal van de opstanding van Jezus helpt mij daar telkens opnieuw bij. (Kolet schreef daar juist een stukje over: https://www.koletjanssen.be/blog/kerkhof-in-de-paastijd/)

Zie je het dan eerder als een geschenk dat jij het leven vanuit dat vertrouwen mag ervaren?

Ja, eigenlijk wel. Ik probeer van dat vertrouwen iets door te geven aan wie het kan aannemen en aan wie er iets in ziet. Dat is geen kwestie van kiezen of beslissen. Ik zie het eerder als een mogelijkheid: die kan mensen raken, ze kunnen dat vertrouwen ook ervaren. Ik ben niet de enige die daarvoor openstaat. Wellicht zijn de mensen die op die manier in het leven staan zelfs in de meerderheid! Ik heb er geen behoefte aan om daar een etiket op te plakken. Vele mensen formuleren dat oervertrouwen op andere manieren die ongeveer dezelfde betekenis hebben en zeker dezelfde gevolgen voor de manier waarop ze in het leven staan.

Dat oervertrouwen is niet vanzelfsprekend, vaak is het zelfs broos. Hoe voed jij dat vertrouwen dan?

Zeker en vast door over diepere dingen te praten met anderen, bijvoorbeeld met de mensen met wie ik mag samenwerken. Als ik alleen maar over koetjes en kalfjes zou vertellen, zou ik echt iets missen in mijn leven.

Daarnaast vind ik het nodig en fijn om regelmatig in de Bijbel te lezen. Die verhalen zijn echt een bron voor mij. Bezig zijn met Bijbelverhalen voor kinderen – bijvoorbeeld in mijn rubriek ‘mosterdzaadjes’ voor Graag samen op Kerknet.be – vind ik een van de leukste aspecten aan mijn werk. Met het schrijven van mijn kinderbijbel ben ik meer dan een jaar zoet geweest. Je moet telkens goed nadenken over wat een specifiek verhaal vertelt over God, over Jezus, over het leven en over jou. Van daaruit probeer ik het dan te hertalen naar kinderen. Voor mij is het echt een geschenk dat ik dat mag doen. Dat proces brengt me altijd weer zoveel bij! Ineens merk je in de teksten zaken op waar je zo vaak overheen gelezen hebt. Dan gaat weer een luikje open.

Een andere bron is de Universitaire Parochie. Ik ga vrij trouw naar de vieringen en neem ook vrijwilligerswerk op. Met de andere aanwezigen praten we af en toe over wat we hoorden of meemaakten. Dat geeft een fijn gevoel van verbondenheid met mensen die uit dezelfde traditie komen, ook al zijn we het niet over alles eens. Dat hoeft ook niet. Dat zie ik steeds meer naarmate ik ouder word. Misschien word ik eindelijk milder!(lacht)

Hoe ga je ermee om als je gesprekspartners Bijbelteksten anders aanvoelen dan jij?

Mijn eerste neiging is altijd om weerwerk te bieden. Ik zei het al: ik ben nogal polemisch ingesteld, hé. De laatste tijd probeer ik dingen op mij te laten afkomen. Ik loop wel vast als ik een Bijbelverhaal op een bepaalde manier zou moéten beleven. Als een interpretatie iets van mijn ervaring van gedragenheid kapot maakt, laat ik die invulling los. Dat soort duiding is niets voor mij.

Als een interpretatie iets van mijn ervaring van gedragenheid kapot maakt, laat ik die invulling los.

Ik merk dat ik met sommige input wel wat kan aanvangen, die van kinderen bijvoorbeeld. Mijn dochter Rebekka en ik zijn samen verantwoordelijk voor de kinderwoorddienst in de Universitaire Parochie, in een beurtrol met een hele ploeg natuurlijk. Soms halen kinderen iets ongelooflijks uit een verhaal. Ze slaan de nagel op de kop en halen iets aan wat je zelf over het hoofd hebt gezien. Dat is echt een geschenk.

Geef eens een voorbeeld van hoe een kind een Bijbelverhaal uitlegt?

Een jongen antwoordde op onze vraag waarom Jezus op Palmzondag op een ezel reed: ‘Omdat hij ook al op een ezel reed toen hij nog in de buik van zijn mama zat!’ Jezus blijft gewoon trouw aan wie Hij altijd al was. Op weg naar zijn geboorte is Hij – bijna – dezelfde als op weg naar zijn dood. Mooi toch?

Met je dochter Rebekka schrijf je boeken en verzorg je kinderwoorddiensten. Jouw passie aan je kinderen doorgeven, lijkt me bij haar in elk geval gelukt, toch?

Ja, het is voor de hand liggend om dat te concluderen, dat kan ik niet ontkennen. Zij is ook godsdienstwetenschappen gaan studeren, dankzij een fantastische godsdienstleerkracht op haar school. Natuurlijk leefde die thematiek ook bij ons thuis. Mijn man gaf tot aan zijn pensioen filosofie op een theologische faculteit.

Als ouders geef je altijd wel iets mee van je passie.

Onze kinderen zijn niet allemaal praktiserend, maar de meesten omschrijven zich wel op een of andere manier als gelovig, ook al neemt dat niet zo’n grote plaats in hun leven in. Hun inspiratie is een mengelmoes en dat is oké. Sommigen lezen ook regelmatig mijn korte stukjes over leven en geloof, dat heb ik onlangs tot mijn plezier ontdekt. Als ouders geef je altijd wel iets mee van je passie. Dat is ook zo als je muzikaal of artistiek bent.

Welke andere levenshoudingen wil je hen nog graag meegeven?

Vooral een open levenshouding! En dat ze de andere mensen om hen heen zien en voor hen opkomen, tenminste als dat mogelijk is. Je hebt namelijk altijd een bepaalde emotionele reserve nodig om daartoe in staat te zijn. Onze pleegkinderen dragen een behoorlijk rugzakje met zich mee, daarom is dat voor hen niet zo vanzelfsprekend. En toch verrast het mij dat ze goede vrienden voor hun vrienden zijn, dat ze het zien als iemand het moeilijk heeft en dat ze dan iets ondernemen. Daar ben ik blij om!

Geven jouw kinderen iets van die gelovige inspiratie door aan hun kinderen?

Mijn kleinzoon is acht. Hij was erg bang toen mijn andere dochter, zijn tante dus, hoogzwanger was. Een van zijn klasgenootjes had afscheid moeten nemen van een broertje of zusje in de buik van z’n mama omdat het kindje zwaar beperkt was. Daardoor was de schrik om het hart van Mauro geslagen: er kan blijkbaar vanalles mis gaan, nog voor de geboorte! En dus vroeg hij aan zijn mama om elke avond voor het baby’tje in de buik van meter Sara te bidden. Dat hebben ze gedaan. Daardoor kreeg hij het vertrouwen dat – ook al zou er iets gebeuren – God bij hen was en dat ze samen voor het baby’tje zouden zorgen.

Kolet Janssen met haar pasgeboren kleindochter: ‘Geloven kan ook kinderen nauw aan het hart liggen! Ze kunnen er voor hun emotionele groei echt iets aan hebben.’ © Kolet Janssen

Ik vind dat je kinderen zulke ervaringen van vertrouwen niet mag onthouden, ook al is hun Godsbeeld nog niet helemaal uitgepuurd. Soms hoor je van volwassen dat hun kinderen later zelf mogen beslissen of ze al dan niet gelovig door het leven willen gaan. Maar geloven kan ook kinderen nauw aan het hart liggen! Ze kunnen er voor hun emotionele groei echt iets aan hebben.

Vind je dat kinderen recht hebben op spirituele opvoeding?

Dat een ‘recht’ noemen vind ik misschien wat te heftig. Wel vind ik het jammer wanneer ouders hun geloof niet aan hun kinderen doorgeven. Dat doen ze toch ook met muziek, met kunst of met andere interesses en hobby’s? Ik zou ouders zeker aanraden om medestanders te zoeken. Net zoals je muziek en sport niet op je eentje beoefent en je je kind naar een sportclub of crealesjes stuurt, is dat ook voor geloof belangrijk. Wees zeker niet bang om je kinderen te ‘indoctrineren’!

Je vertelde daarnet over je drie pleegkinderen en de rugzak die ze met zich meedragen. Wat heeft jou geholpen om in dat engagement te blijven rechtstaan? Dat lijkt me namelijk een pittige uitdaging …

In mijn jeugd mocht ik voor een schoolkrantje een Hasseltse jeugdrechter interviewen. Hij vertelde dat er een tekort aan adoptiekinderen was, maar een overvloed aan pleegkinderen. Die kinderen wilde ik wel in huis nemen! Gelukkig komt mijn man uit een gezin met veel kinderen, hij vond een groot gezin dus prima. We waren nog heel jong, amper 23 en 24, toen we eraan begonnen. Eigen kinderen hadden we nog niet en ineens kregen we drie pleegkinderen van vijf, zes en zeven jaar onder onze hoede, twee broers en hun zusje.

hun geschonden basisvertrouwen herstellen was een ander paar mouwen… Daar bleven we tegenaan lopen.

Achteraf denk ik dat mijn polemische houding ook hierin een rol heeft gespeeld: ik wilde tonen dat je ook op een niet-klassieke manier gezin kan vormen. Een ander deel van ons engagement kwam wellicht voor een stukje uit jeugdige overmoed voort: we wilden de wereld veranderen! We waren overtuigd dat we de dingen die in de kindertijd van onze pleegkinderen fout gelopen waren, konden rechtzetten. Ten dele klopte dat. Onze pleegdochter kon op haar vijfde nog niet spreken en toch heeft ze dat geleerd. Maar hun geschonden basisvertrouwen herstellen was een ander paar mouwen… Daar bleven we tegenaan lopen. We konden het een beetje opknappen, maar als het erop aankwam, kwamen ze net door die fundamentele kwetsuren toch in de problemen.

Dat moet heel moeilijk voor jullie geweest zijn …

Ja, op een bepaald moment vraag je je dan af: ‘Heeft het allemaal wel zin gehad?’ Jarenlang zijn we met hen opgetrokken. We zijn voornamelijk een ‘normaal gezin’ geweest, uiteraard moesten we af en toe therapieën volgen. En dan gebeurt er iets waarvan je denkt: ‘Dit komt nooit meer goed…’ Gelukkig liep het nooit met alle drie tegelijk fout. Ze volgden ieder hun eigen parcours en sleepten elkaar niet mee.

Waaraan hebben zij het meeste houvast gehad?

Ik denk aan het feit dat we hen telkens weer vertelden dat we er voor hen zouden zijn, ook als het verkeerd liep. Wij waren voor hen de vaste figuren in hun leven. Ze hadden een goede band met een therapeut en er was een leerkracht op school met wie ze een poos veel contact hadden, maar dan kwam er ruzie of verwijdering. Eens volwassen konden ze op begeleiders rekenen.

Kolet Janssen: ‘Onze pleegkinderen hebben er het meeste aan gehad dat mijn man Peter en ikzelf de vaste figuren in hun leven bleven.’ © Kolet Janssen

Maar aan die professionele relaties komt vroeg of laat een einde, terwijl wij ondanks alles steeds in de buurt bleven. Vandaag hebben we met alle drie een oké band. Eentje is geëmigreerd naar Australië, het contact verloopt nu via Zoom. Maar als die in het land is, logeert die bij ons thuis. Het was een moeilijke les voor ons om te beseffen dat we niet alles in hun leven recht konden breien en dat ze op bepaalde punten en momenten heel kwetsbaar blijven.

Wil je daar een voorbeeld van geven?

Onze oudste pleegzoon had eens onze auto geleend, zonder ons medeweten, en daarmee een ongeval veroorzaakt. Gelukkig raakte niemand gewond, maar onze wagen was total loss. Dat ging natuurlijk heel ver … Tot zeven maal zeventig maal vergeven in dit geval? Dat lukte echt niet onmiddellijk, dat was teveel gevraagd voor mij, ook al wist ik dat ik vroeg of laat het vergevingspad zou moeten bewandelen.

Tot zeven maal zeventig maal vergeven in dit geval? Dat lukte echt niet onmiddellijk!

We hebben toen met mensen van de parochie gepraat. Uiteindelijk heeft mijn basisvertrouwen ervoor gezorgd dat ik het niet opgegeven heb en niet heb gezegd: ‘Zoek het van nu af aan maar zelf uit!’ Achteraf heeft onze pleegzoon zich verontschuldigd, dat heeft me zeker en vast geholpen.

Hoe beredderden jullie zo’n groot gezin? Dat lijkt me echt wel druk!

Het was inderdaad vrij druk, maar Peter en ik zijn van nature vrij gestructureerd. Mijn man zegt dat hij zich soms eerder directeur van een KMO dan een vader voelde (lacht). Gelukkig zaten onze kinderen in verschillende leeftijdscategorieën. Onze pleegkinderen zijn ongeveer negen jaar ouder dan onze eigen twee oudste kinderen. Nog eens acht jaar later kregen we een nakomertje. De pieken van peutertijd of puberteit vielen dus niet op hetzelfde moment. De zware peuterjaren van onze pleegkinderen hebben we gemist omdat ze pas nadien bij ons kwamen. In het onderwijs had ik gezinsvriendelijke werktijden en zo lukte het om alles te organiseren. Omgekeerd hielp het me vaak dat ik me op het lesgeven moest concentreren en niet de hele tijd met de uitdagingen thuis bezig hoefde te zijn.

Je was pas vijftig toen je je job als godsdienstleerkracht losliet om voltijds te schrijven …

Ja, ik heb altijd al geschreven, maar vanaf mijn dertigste werkte ik samen met een uitgever. In 1988 verscheen mijn eerste boek ‘Vuil’, bij het Davidsfonds. Het duurde ongeveer drie jaar vooraleer het af was en gepubliceerd werd. Ik deed toen mee aan een schrijfwedstrijd voor debutanten. Peter stimuleerde me daar sterk in. Fictieverhalen voor kinderen was mijn focus, naast het schrijven van Vlaamse Filmpjes. Dat was mijn ene halftime job, daarnaast had ik mijn lesopdracht. Bij uitgeverij Averbode ontdekten ze na enkele jaren dat ik godsdienst had gestudeerd. Vanaf toen ging ik ook over geloof schrijven, dat deed ik vooraf niet zo expliciet.

Ik schrijf over thema’s die mij raken en waarvan ik denk dat anderen er ook wat aan hebben.

Maar twee halftime jobs combineren is niet zo fijn als je je voluit wil smijten. De Jeugdboekenweek viel bijvoorbeeld samen met de vastenperiode op school. Dat waren intense tijden! Eens de studentenjaren van onze kinderen voorbij waren, konden we het inkomen uit mijn onderwijsopdracht iets makkelijker missen. Toen heb ik beslist om voluit voor het schrijven te gaan. Nu heb ik de luxe dat ik mag werken aan opdrachten die me volledig ter harte gaan. Ik schrijf over thema’s die mij raken en waarvan ik denk dat anderen er ook wat aan hebben. Het is heel fijn om te merken dat mijn blogs en columns worden opgepikt, dat mensen zichzelf erin herkennen. Het lukt me blijkbaar om woorden te vinden voor ervaringen waarmee vele mensen worstelen maar die ze niet in taal kunnen uitdrukken.

Waar haal je je inspiratie voor al jouw schrijfopdrachten?

Ik kom op zoveel plekken en maak vanalles mee. Dat creëert voldoende stof voor mijn columns en blogs. In het begin maakte ik er elke dag wel eentje, zelfs tijdens vakanties. Maar dat gaf teveel stress en dat wilde ik niet. Nu publiceer ik drie keer in de week een stukje, dat tempo is op dit moment perfect haalbaar. Lezers denken trouwens dat mijn blog elke dag verschijnt, omdat ze die niet dagelijks checken (lacht).

Hoe ziet een standaard werkdag eruit voor jou?

Voor Kerknet heb ik een wekelijkse opdracht en met mezelf heb ik de afspraak gemaakt dat ik twee keer per week een tekstje op mijn persoonlijke blog publiceer. Daarnaast heb ik vaste opdrachten voor enkele tijdschriften, waaronder Tijdschrift voor Geestelijk Leven. Ik schrijf ook de ‘mosterdzaadjes’ voor Graag samen op Kerknet.be, zoals ik al zei. Elke week heb ik dus een aantal deadlines te halen. Die neem ik met plezier op. Ik kan het me niet veroorloven om een volledige week niet te schrijven, dan zou ik hopeloos vastlopen. Ik heb nog een aantal losse projecten – een podcast, een krantje – waarvoor ik met anderen samenwerk. Ik vind het heel fijn om een aantal uren of zelfs een dagdeel achter elkaar te schrijven. Dat is voor mij helemaal geen opgave, dat stroomt spontaan. Wanneer ik te weinig schrijf, word ik zelfs ongelukkig.

Kolet Janssen: ‘Elke middag maak ik – meestal samen met mijn man – een wandeling om de buitenlucht op te snuiven.’ © Kolet Janssen

In april word ik 67, officieel ben ik dus al een tijdje met pensioen. En toch zit ik elke dag om 8u15 aan mijn bureau. Ik schrijf tot aan het avondeten. Elke middag maak ik – meestal samen met mijn man – een wandeling om de buitenlucht op te snuiven. Op woensdagnamiddag pas ik op mijn kleinzoon en vanaf september zal ik dat ook doen met mijn kleindochter. Ik vertelde al van mijn vrijwilligerswerk bij speelOdroom. Daar vind je me één keer om de twee weken. En in de Universitaire Parochie werken we aan INC-vieringen, inclusieve vieringen. Ik maak dus zeker tijd voor andere dingen dan schrijven, maar ik leg mezelf nog altijd werkuren op en dat vind ik helemaal prima.

Het lijkt of de woorden spontaan uit je pen blijven stromen! Gaat het gezegde ‘99% transpiratie en 1% inspiratie’ voor jou niet op?

Dat is misschien wat overdreven, haha. Bij een blog heb je maar één klein idee nodig, en dat drie keer per week. Dan is een voorraadje gedachten wel essentieel. Die pen ik neer in mijn notitieschriftjes die ik altijd bij me draag, anders ontglipt de inspiratie me. Ik pak mijn schrijfopdrachten dus vrij zakelijk aan: de flitsen die regelmatig door mijn hoofd gaan, leid ik in goede banen zodat ik ze kan gebruiken. Ik moet er dan ook echt werk van maken, anders weet ik niet meer wat ik daarbij gedacht of gevoeld heb.

Van writer’s block heb jij blijkbaar helemaal geen last!

Mijn blogs kan ik meestal makkelijk afronden, de ene keer al wat beter dan de andere keer. Ik ben nu bezig aan twee grotere projecten: een nieuw prentenboek en een historisch kinderboek over de beginperiode van het christendom in onze streken. Daarover is heel weinig info te vinden, dus ik weet nog niet of het zal lukken. Soms loop ik vast met het schrijfproces en zit ik op een verkeerd spoor. Dan werk ik verder aan iets anders, ik heb genoeg materiaal!

Welke mensen bewonder jij of inspireren jou?

Ik bewonder vooral mensen die erin slagen om op oudere leeftijd mild te zijn. Ze hebben vanalles meegemaakt in hun leven. Ze hebben het soms moeilijk gehad, ze hebben hard gewerkt en sommige dingen bereikt, andere zaken zijn tegengevallen. Hun leven was een mengeling van goed en kwaad maar ze zijn wijzer en vooral ruimhartiger geworden. Ze zijn mild naar anderen en naar zichzelf. Ik heb het geluk dat ik zo’n paar mensen in mijn omgeving heb gekend. De broer van mijn vader bijvoorbeeld, maar ook mensen die voor hun kinderen en kleinkinderen zorgen en die voor iedereen die bij hen in de buurt komt een bron van liefde zijn. Dat vind ik zo mooi om mee te maken!

Ik bewonder vooral mensen die erin slagen om op oudere leeftijd mild te zijn.

Lange tijd dacht ik dat die houding vanzelf kwam met ouder worden, maar dat is echt niet zo. Sommige oude mensen worden net scherper en bitterder. Mijn vader voor wie ik veel bewondering had en met wie ik een goede band had, is 94 geworden. Tijdens zijn laatste levensjaren werd hij steeds bitterder. Dat vond ik echt jammer. Daar doe je jezelf pijn mee, maar ook anderen en je helpt er de wereld totaal niet mee vooruit. Bitterheid creëert geen hoop en maakt dingen kapot. In het katholieke geloof gaat het meestal over de Vader en de Zoon. Zou het niet fijn zijn om meer over de Geest te spreken? Die staat voor mildheid en ruimhartigheid, voor dat onverwoestbare geloof dat het leven zin blijft hebben.

Vind je dat de zin van het leven: met die Geest in contact komen?

Ja, omdat die ons dichter brengt bij wat het Rijk van God wordt genoemd, die grote droom van Liefde. Kijk naar die vreselijke beelden van de oorlog in Oekraïne en hoeveel daar wordt kapot gemaakt! Dat is zo erg … En toch heb je altijd weer mensen die hun hart en hun huis openstellen. Zolang zij bestaan, blijf ik in het goede geloven. Als dat zou verdwijnen, zou dat echt het einde zijn. Maar ik geloof dat het goede sterker is: dat is voor mij de zin van het leven en waar het op aankomt. Voor mij hangt dat direct samen met God.

Dat is weer dat oervertrouwen in jou, dat staan op die dragende grond. Is dat een eigenschap van jou die andere mensen waarderen?

Ik denk dat mensen in mij vooral waarderen dat ik betrouwbaar ben. Het moet al heel erg zijn vooraleer ik een engagement opzeg. Dan moet het zo kapotmakend zijn dat niemand er gelukkig van wordt. Maar als het enigszins in een of andere vorm lukt, zal ik het proberen verderzetten. Humor vind ik ook heel belangrijk! Met elkaar kunnen lachen, maakt vele dingen lichter …

Hoe zou je willen dat mensen later aan jou terugdenken?

Ik denk niet dat ik zo’n geweldig spoor zal achterlaten. Ik hoef niet over mijn dood heen herinnerd te worden. Als ik op een zinvolle manier een kind van onze tijd mag zijn, is dat voor mij genoeg. Met wat ik schrijf, wil ik nù iets kunnen betekenen en nù iets kunnen aanreiken voor mensen dichtbij of veraf. Ik geloof dat elke tijd z’n eigen stemmen nodig heeft. Ik ben al heel blij dat ik een klein stemmetje van onze tijd mag zijn.

En naar jouw kinderen toe, wat zou je graag hebben dat zij van jou in hun hart meedragen?

Die hoop op het goede. Die houdt je overeind, wat er ook gebeurt. En daarnaast: de kwetsbaarheid van mensen zien. Dat is heel belangrijk voor mij, zowel in mijn persoonlijke omgeving als in mijn werk.

Die hoop op het goede houdt je overeind, wat er ook gebeurt.

Wanneer je ouder wordt, zie je die kwetsbaarheid steeds meer. Noodgedwongen in mijn eigen lichaam omdat de huisarts me wijst op zaken waarmee ik moet leren leven. En naar anderen toe merk ik hoe je mensen zo gemakkelijk kunt breken én gelukkig ook kunt optillen. Als je hun kwetsbaarheid ziet, heb je de plicht om daar op een goede manier mee om te gaan.

Interview: Ilse Cornu

De blog van Kolet Janssen vind je hier.

Lees hier het MagaZijn-interview over het nieuwste boek van Kolet Jansen, ‘Andreas en de draak’: een ontroerend boek over kindermishandeling.

Lees ook haar column ‘Moei u! Waarom we niet mogen wegkijken van kindermishandeling!

 

 

 

 

Boeiend artikel? Help ons zin vinden en zin delen!

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here