‘Oma’s hebben geen kindjes in hun buik.’

0
84
Ayo met haar overgrootouders © Brigitte Puissant

Weet jij wat ‘gaskappes’ zijn? En dat afkicken van een tutje best heftig is? Op de leeftijd van twee en een half zijn boertjes van prikwater dan weer een beetje toegelaten. Of beter: een ‘boeke’. Bekijk de wereld als een wonder door de ogen van de kleine Ayo.

Je staat te springen als ik je in de crèche kom halen. De weg naar buiten spring je de trappen af (‘nee, Bibi, niet tellen’) en doe je de sprint wel drie keer om naar de garagepoort te lopen waar je koets staat. De toppen van je vingers op de grond houden terwijl je je met gestrekte benen bukt en dan ‘1,2, 3 stat’ zeggen, dat is de start van jouw 50 meter afstand lopen.

Je drinkt prikwater uit je drinkfles en daarna hik je. Telkens leg je je handje op je mond en trek je je schouders op (alsof je wil zeggen, ja dat mag eigenlijk niet, maar het is toch een beetje toegelaten) terwijl je lachend zegt: ‘Boetje (boertje) gelaten!’

Met een zwier zet je je in je koets. ‘Geen tutje, hoor, Bibi’, zeg je me samenzweerderig, ‘alleen Kwakkie.’ (Ik weet dat je aan het afkicken bent). Je knuffelkuiken heeft nu altijd een pyjama aan. ‘Vasmaken, Bibi.’ Nu moet ik je vastmaken in de koets. Straks, als je terug in je koets wipt enkele meters voor je huis, zeg je: ‘Nu niet vasmaken.’ Je weet niet altíjd wat je wil, bijvoorbeeld of je in of uit de koets wil. ‘Erin of eruit?’ verwoord ik de twijfel. Waarna jij het ook zelf zegt. ‘Erin, eruit?’ En dan kijk je ondeugend naar mij.

Als we op het zebrapad lopen, zit je in je koets en goed vast. ‘O, kijk, de auto’s stoppen voor ons. Dat is lief hé’, zeg ik je. En aan de breed glimlachende chauffeurs te zien, tover je waarschijnlijk je liefste lach als je opzij naar hen kijkt.

Op weg naar mijn ouders zie je dat het gras ‘geknipt’ is. ‘Het gas is naar de kapper seweest.’ ‘Veel kappers’, antwoord ik. ‘Ja, veel,’ antwoord je. ‘Het zijn graskappers’, zeg ik. ‘Ja,’ beaam je, ‘gaskappes.’

Bij mijn ouders weet je nog dat er vorige keer kinderen in de tuin speelden. Je vraagt naar hen. Je kijkt graag naar andere kinderen. Je merkt ze overal op. Als het een baby’tje is, zeg je uitdrukkelijk: ‘Daar baby’tje’, en kijk je vertederd. De laatste tijd speel je graag baby. Dan huil je drammerig en wil je melk uit een flesje met tut. In de bib leg je je in een te klein kinderzitje. Door de baby op komst?

‘Bibi, heb jij ook een baby in je buik?’ ‘Nee, mama en Katrien (haar meter, mijn andere dochter) wel. Oma’s hebben geen kindje in hun buik’, vertel ik.  (Er zijn uitzonderingen natuurlijk, maar dat is voor later). ‘Ik heb grijs haar. Vrouwen met grijs haar hebben geen kinderen in hun buik.’ (Ook daar zijn uitzonderingen op, denk ik). Je kijkt naar mijn haar en dan naar mijn buik en zegt ‘Oké!’

Terwijl je mijn benen vastpakt, zeg je later: ‘Ik ben je kleindotetje (kleindochtertje) hé, Bibi’. Ik smelt. Je weet ook al goed dat Mi mijn moeder is en ik de mama van je mama. Dat je mama Hanne heet en je papa Jelle. Dat mijn ouders en je ene opa in Heverlee wonen en jij in Leuven. Dat je andere opa en oma in Perk wonen. En Katrien en Wietse in ‘Neevep’ of Neervelp. En: ‘Staks met tein tug naar je huisje, hé, Bibi, in ‘Hent’.’

Of hoe iedereen zijn plek krijgt.

Thuisgekomen neem je de afstandsbediening om je mama te bellen. ‘Hallo. Ja, ja. Daag!’ ‘En wat zei je mama?’ vraag ik. ‘Nog niet naar huis komen. Nog twee uutjes of zo.’ Alsof je zelf wil regelen dat ik nog kan blijven.

Twee minuten later is je papa daar en kijk je maar half om als ik ‘daaaaaaaaaaag Ayo’ roep.

Tekst: Brigitte Puissant


Boeiend artikel? Help ons zin geven en delen

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here