Home Mensen Levenskunstenaars Sprookjes bestaan

Sprookjes bestaan

0
Sprookjes bestaan
© pixabay rv

Deze cursiefjes zijn geschreven beelden van oma Bibi die op haar kleinkinderen past en telkens zo ontroerd is dat ze over hen MOET schrijven … 

Louisa (‘nog vier maantjes en ik ben vijf jaar!‘) komt stilletjes bij me liggen. Het is zondagochtend, 29 oktober, 7 uur oude tijd. Ze doet haar best om nog te slapen, maar haar woelen vertelt me iets anders. Ik wrijf over haar schouderbladen, wervelkolom, schedel, elleboog, knie en verwoord zacht: ‘Dit zijn je schouderbladen, je wervels, je …’

Ze luistert aandachtig, dan draait ze zich om maar behoudt de geheimzinnige donkerte door te blijven fluisteren: ‘Dat is mijn skelet hé, Bibi? Als mensen dood zijn blijft dat over, toch? En hun tanden ook! (Het is Halloweentijd, bedenk ik) Ken je de tandenfee?’ zegt ze met haar zachtste stem. ‘Nee’, stamel ik. ‘Als je een tand verliest en je legt dat onder je kussen, dan komt de fee die halen.’ Ze fluistert in mijn oor en heft het kussen op, om het belang van haar mare kracht bij te zetten. ‘En dan?’, vraag ik. ‘Wel, dan legt ze die in een doosje.’ ‘O ja?’ ‘Ja, die heeft een winkel van tandendoosjes.’ ‘Ah zo!’ ‘Ja, voor kinderen die hun tanden verliezen, die kopen bij haar een nieuwe tand.’

Ze fluistert in mijn oor en heft het kussen op, om het belang van haar mare kracht bij te zetten.

Sprookjes zijn haar dierbaar. Onlangs, tijdens het verwoorden van de bezwerende spreuken: ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste in dit land? – O koningin, jij bent heel mooi, maar Sneeuwwitje is duizendmaal mooier dan jij!’, onderbrak Louisa mij. ‘Nee, het gaat niet zo, oma Leen vertelt het anders: O koningin, de mooiste ben jij, maar Sneeuwwitje over de bergen, bij de zeven dwergen, is nog duizend maal mooier dan jij.’ Naarmate de lange zin vordert, wordt haar toon steeds dramatischer. ‘Zó moet het!’ (Ik voel een lichte steek van concurrentie opwellen ten aanzien van de andere oma 🙂
Als ik de zin goed zeg, leunt Louisa achterover, terwijl ze een haarlok in haar mond steekt en haar knieën optrekt. Als het verhaal uit is, lijkt het alsof we in een zoete geur van lavendel en cederhout zijn beland.

In de zondagsviering het uur daarop, ruik ik de herfst in haar haren als ze bij mij op schoot zit. Op het domein rond de kapelgemeenschap heeft ze de bolster van een beukennoot , twee gekleurde bladeren en een takje verzameld ‘voor haar mama’. Tot driemaal toe verklaarde ze tijdens haar logeerweekendje : ‘Ik hou van de herfst omdat de blaadjes allemaal verkleuren. De rode zie ik het liefst.’

In de kapel vult de stilte zich met zang, poëzie en verhalen. We zitten naast mijn ouders, die haar lief groetten. Ze aaien over haar haar, knijpen even in haar hand. Mijn moeder kijkt vaak opzij, verwonderd dat haar oudste achterkleindochter niet ‘bougeert’; alleen rondkijkt en luistert.

Op mijn schoot fluistert Louisa me af en toe iets in het oor: ‘Waarom hebben die mensen (van het koor) een zwarte kaft en wij een rode?’ ‘Kijk’, ze wijst van het logo van de Dominicaanse gemeenschap op de partituur, naar het gietijzeren evenbeeld aan de wanden. ‘Kijk’: de lampen boven het altaar spiegelen zich in het raam tussen de hoge bomen als hangende kaarsen. ‘Kijk!’ – ze wijst naar de kandelaar achter de priester en het altaar – ‘Dat is ook een kandelaar, zoals die in het boek van Suske en Wiske (een spookverhaal).’ Met een theelichtje stapt ze voorzichtig mee met de rij parochianen die haar vriendelijk toelachen. Dapper reikt ze het kaarsje tot op de marmeren tafel. ‘Het is voor mijn mama,’ fluistert ze.

Als ze tussen mijn moeder en mij in staat en ons beide een hand geeft tijdens het Onze Vader, overspoelt me een gevoel van diepe verbondenheid, tijd- en plekloos. Ik denk spontaan aan de samenzang op vrijdagnamiddag bij haar op school: alle klassen zitten samen op het binnenplein, eerst rumoerig maar na een teken van de coördinator gehuld in een heilige stilte waarin elke klas zijn lied van de week zingt, terwijl de kring van ouders er rond, stil kijkt en luistert.

Onderweg naar huis roept Louisa: ‘Bibi, dat kaarsje was eigenlijk ook voor mijn papa en mijn broertje!’ ‘Ja, ze horen ook bij jou, hé?’

Sprookjes bestaan.

Tekst: Brigitte Puissant 

Boeiend artikel? Help ons zin vinden en zin delen:

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here