Wat denkt dominicaan Bernard de Cock over holebi’s en de liefde?

0
178

Rome riep dominicaan Bernard de Cock in 2009 op het matje. Aanleiding: zijn theologisch doctoraat over het Vaticaanse standpunt rond homoseksualiteit. ‘Niet juist, jongen’, zeiden ze. Maar dan veel arroganter. Vandaag is de prior van de dominicanen in Brussel niet blij – zeg gerust: woedend – na het ‘njet’ van het Vaticaan op de vraag om homorelaties te zegenen. 

Er is al zoveel inkt gevloeid over de recente miskleun van het Vaticaan betreffende het zegenen van homoseksuele relaties, dat ik aarzelde er nog een tekst aan toe te voegen. Toch doe ik het. Niet zozeer om het tot in den treure herhaalde en achterhaalde Vaticaanse standpunt over homoseksualiteit te beantwoorden. Dat heb ik zo gefundeerd mogelijk gedaan in een theologisch doctoraat aan de KU Leuven (2009). Een maand na mijn verdediging werd ik door het Vaticaan al ter verantwoording geroepen, zonder inhoudelijke argumenten. ‘Niet juist, jongen,’ zeiden ze. Maar dan veel arroganter. Met dit nog fris in mijn geheugen ben ik woedend over het responsum, een stuk dat blijkbaar – als gevolg van aartsconservatieve intriges – in elkaar is gewrocht en bol staat van theologisch gestuntel, wetenschappelijke en filosofische nonsens, gebrek aan tact. Bovendien heeft een dergelijk wereldwijd verspreid document een crimineel aspect. Je mag niet vergeten dat in een tachtigtal (!) landen op onze planeet homoseksualiteit met zware gevangenisstraffen en martelingen, ja, soms met de uitgevoerde doodstraf gesanctioneerd wordt. En ook in ons land, anno 2021, worden homo’s aangevallen en zelfs gedood. Wat een verschrikkelijke verantwoordelijkheid laadt het Vaticaan op zich, door het begrip ‘zonde’ in verband te brengen met homoseksuele beleving!

dat stuk is blijkbaar – als gevolg van aartsconservatieve intriges – in elkaar gewrocht en staat bol van theologisch gestuntel, wetenschappelijke en filosofische nonsens, gebrek aan tact.

Dit gezegd zijnde, heb ik mijn woede wat kunnen kanaliseren. Nu kan ik in een ander taalspel over homoseksualiteit en geloof spreken dan dat van het Vaticaan. Ik breng een warme groet aan mijn homoseksuele broeders en zusters. Ik wil jullie hier als katholieke kloosterling het verhaal vertellen van een oud-student van mij, in de hoop dat zijn weg een positieve bemoediging mag zijn voor elk van jullie.

Zijn naam is Stijn (de naam heb ik veranderd). Ik heb hem leren kennen toen hij 24 was. In een gesprek vertelde hij me dat hij homo was en dat hij al heel wat had ‘meegemaakt’ in het milieu. Maar naar zijn zeggen verlangde hij eigenlijk naar een man op wie hij smoorverliefd kon worden, iemand met wie hij fysiek en psychisch één wilde worden, met wie hij seksueel kon stoeien, met wie hij een intiem contact op een tedere manier kon delen, iemand die hem ernstig zou nemen, iemand met wie hij kon praten over de diepere dingen des levens, iemand die hij gelukkig kon maken en die hem gelukkig zou maken. “Iemand”, zei hij, “die mijn lief en mijn vriend is, met wie ik samen oud wil worden, en die tijdens dat oud worden niet alleen mijn lichaam (dat zeker!) maar ook een zinvol leven wil delen.” Stijn zocht gewoon een geliefde.

Stijn heeft zich altijd christen ‘gevoeld’, ook al was hij zoals veel leeftijdsgenoten daarin nog niet verder gekomen dan een vaag beamen van het vermoeden dat ‘er iets is’ en dat ‘de waarden van Jezus’ de moeite waard zijn in het leven. Maar de vraag hoe hij zijn homoseksualiteit daarin moest plaatsen, verwarde hem, te meer omdat hij een toenemende aversie had tegen al wat kerk is. Door de houding van die kerk voelde hij zich gekwetst, en hij begreep al helemaal niets van de taal noch van de logica waarin die houding wordt geformuleerd: je mag het zijn maar je mag het niet doen, en als je het doet, bevind je je in een objectieve wanordelijkheid. Er is immers de natuurwet en de intrinsieke huwelijkse heterobetekenis van het lichaam. Als homo mag je ook geen priester worden, niet trouwen, geen kind adopteren. De conclusie is keihard: eigenlijk moet je je als homoseksueel onthouden. Het duizelde hem. Misschien, zo dacht Stijn, gooide hij alles door elkaar “en is de kerk veel genuanceerder”, maar “dan moet ze mij dat goed uitleggen, en dat doet ze niet.”

Als je gelooft, dan zeg je: ik ben in het leven gewenst door de Liefde zelf.

Aan die verwarring kwam voor hem een einde – zo vertelde hij mij later – toen hij de cursus godsdienst en levensbeschouwing volgde, die ik in het vijfde jaar van zijn hogeschool doceerde. Ik beschreef in een van mijn lessen het merkwaardige fenomeen ‘genade’. Het christelijke geloof, zei ik, spreekt over de genade als over een omvorming die voornamelijk het gevolg is van de manier waarop ik mezelf zie, namelijk als iemand die iets betekent, als iemand die gewenst wordt. God verlangt naar ons, begeert ons. Geschapen zijn is opgevangen worden in die onverdeelde liefde. Die gedachte bleef hem bijzonder bij: “Als je gelooft, dan zeg je: ik ben in het leven gewenst door de Liefde zelf. Ik mag er zijn, ik word ten diepste graag gezien, ik ben gewild door iemand die zichzelf ‘Ik zal er zijn’ noemt”. Met niets meer dan dit schamele, want altijd aanvechtbare en aangevochten vertrouwen, mogen we onze unieke weg gaan, heb ik er nog aan toegevoegd.

Die taal begreep Stijn blijkbaar wel, meer zelfs, het was voor hem een openbaring en vooral kon hij hierin voor het eerst ook zijn homoseksualiteit een plaats geven. Hier ervaarde hij ten diepste wat je de ‘genade van het lichaam’ zou kunnen noemen. Zijn homoseksualiteit evolueerde, in zijn beleving, van een zogenaamd tekort naar een positieve mogelijkheid om lief te hebben en zijn leven gestalte te geven. Ook in zijn kortstondige relaties werd de persoon van de seksuele partner voor Stijn steeds belangrijker. Intussen had hij iemand leren kennen die een beetje ouder was dan hij. Het klikte meteen tussen hen en hun wederzijdse seksuele verkenning was intens. Ze hebben op een bepaald moment besloten voor elkaar te kiezen, en wilden elkaar in vrijheid de tijd gunnen om te rijpen in het ontvangen van het geluk van de ander en om voor elkaar te zorgen. Om het gelovig uit te drukken: ze wilden elkaar de tijd gunnen om voor elkaar zo goed als God te zijn.

Het verhaal van Stijn is me altijd bijgebleven. En het heeft me veel doen nadenken over onze manier van spreken over het lichaam en zijn seksualiteit. Dat kwetsbare seksuele lijf van mij – ikzelf in mijn seksualiteit – is weerbarstig en mysterieus. Bovendien is het eigengereid en meerzinnig. Het laat zich niet zomaar muilkorven, noch door een maatschappij, noch door een godsdienst. Geen enkele institutionalisering krijgt zijn passionele karakter volledig op de knieën. Als mens druk ik er het edelste en het smerigste van mezelf in uit. Ik kan er mooi mee worden, maar er evenzeer te kijk mee gesteld worden.

Wij hebben allemaal ons eigen verhaal over onze begeerten en wat we ermee doen.

Mijn seksuele lichaam ben ik zelf en tegelijk is het niet-ik, zo intiem en zo vreemd aan mijn diepste zelf. Mijn broze schat. Wij hebben allemaal ons eigen verhaal over onze begeerten en wat we ermee doen, over ons graag zien en onze partiële driften, over ons vrijen en onze trouw. In elk geval is mijn seksuele lichaam, tragikomisch als het is, een meerzinnige plaats van liefde en haat, respect en misbruik, kwetsbaarheid en sterkte, verdriet en vreugde, bedrog en vertrouwen, het grote hart en jaloersheid. En vooral is het van dat alles het typisch menselijke mengsel dat om humanisering vraagt. Omwille van de ander en van mezelf. Die humanisering, of zo je wil: het ons laten doordringen van Gods liefde in onze relaties, is de schoonste roeping die we van God hebben gekregen. Die gelovige houding laat ik mij niet afpakken.

Tekst: Bernard de Cock
Deze column verscheen eerder op dominicusgent.be
MagaZijn kreeg toestemming van de auteur om zijn bijdrage te publiceren.

Boeiend artikel? Help ons zin geven en delen

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here