Bestaan engelen echt?

2
156
© pixabay rv

Vandaag bezoekt kleine Louisa de sterrenweide. Een bijzondere vraag houdt haar bezig: ‘Bestaan engelen écht?’ 

Deze cursiefjes zijn geschreven beelden van een oma die op haar kleinkinderen past – hun namen zijn fictief, foto’s onherkenbaar omwille van privacy – en telkens zo ontroerd is, dat ze over hen MOET schrijven …

Het ruisen van de bomen, de hagen in hartvorm met de keurig geplante witte bloemen, de trooststoel, de honderden witte sterren zijn onze gezellen, als Louisa en ik hier op woensdagmiddag picknicken. Hier: de sterrenweide waar te vroeg geboren kinderen begraven liggen op de stedelijke begraafplaats.

Lang blijft Louisa niet zitten op de halfronde houten bank. De witte sterren op metalen stokken lonken. Met een halve sandwich in de hand, doen we onze ‘toer’. Deze keer trekken de ‘gedenkdingetjes’ rond de sterren haar aandacht: ‘Een bij met een springveer en een paraplu! Hier een wolk met pareltjes die een grote zus heeft gemaakt! Hier wéér een draaimolen, met alle kleuren van de regenboog, dat zijn al mijn lievelingskleuren!’

Oma Bibi bezoekt samen met de vierjarige Louisa de sterrenweide. Daar liggen te vroeg geboren kinderen begraven op de stedelijke begraafplaats. © Brigitte Puissant

‘En hier’, plaag ik, terwijl ik haar aantik, ‘een kind van vier jaar met een blauwe T-shirt met een oranje uil (waar de vleugels van flapperen), een rode rok vol hartjes en roze crocs!’ ‘Dat vind ik niet leuk’, zegt ze boos. ‘Ik zei dat om je te plagen, lieverd, omdat je óók zo kleurig bent als de draaimolen.’ Maar mijn verantwoording helpt niet. Ze gaat met haar benen opgetrokken op de bank zitten en verbergt ze onder haar rok, haar mond in boos-stand.

‘Wat doet die mevrouw, Bibi? Haar kindje bezoeken?’

Naast haar op de bank adem ik diep met mijn ogen dicht, en ruik de scherpe geur van onze snoeptomaatjes gemengd met die van sterjasmijn. Zonlicht danst door mijn ogen, en de beuk achter me ruist flinterdun. Als ik mijn ogen open, zie ik een tiental meter verder een vrouw met gebogen hoofd voor een ster. Is het toevallig dat ze in het zwart is gekleed? Ze draagt een naamplaatje aan een lint en wringt haar handen in en over elkaar. Ondertussen is Louisa’s gezicht achter haar blonde haarsluiers opgedoken. ‘Wat doet die mevrouw, Bibi? Haar kindje bezoeken? Misschien heeft ze bloemen meegebracht?’ ‘Dat kan wel, maar ik heb het niet gezien,’ antwoord ik. We blijven kijken en het is alsof zich een onzichtbare draad spint tussen ons en die vreemde dame. ‘Zouden we naar de mevrouw gaan?’ Louisa knikt en wipt al van de bank terwijl ze mijn hand kleintjes vasthoudt.

‘Dag mevrouw, storen we u niet?’ ‘Nee hoor.’ De dame kijkt blij op. Ik zie nu dat ze helblauwe, vriendelijke ogen heeft. ‘U komt voor uw overleden kindje?’ ‘Het is mijn kleindochtertje, ze heet Noah,’ vertelt ze, alsof Noah er zelf bij staat. ‘Oh,’ zeg ik. ‘Ik werk in het ziekenhuis, een paar honderd meter verder en wekelijks kom ik hier langs op de middag. Het is zo goed hier te zijn.’ Het woordje goed is als een puzzelstuk in dit ontroerend zonovergoten decor. ‘Is het lang geleden?’ ‘Zes maanden’. ‘Dus zo lang nog niet,’ mijn stem wat onvast. ‘Dag, wie ben jij?’ vraagt ze aan mijn oogappel. ‘Ik ben Louisa en ik ben vier jaar’, fluistert Louisa , terwijl ze vooral naar mij kijkt.

Ik vervolg het gesprek met de dame. Uit mijn ooghoeken zie ik hoe Louisa haar vinger opsteekt. Het is de eerste keer dat ik haar dit gebaar zie maken. Wellicht voelt ze dat ze hier best regels respecteert? ‘Wat wil je zeggen, Louisa?’ ‘Wij hebben een boek over Noah!’ ‘O ja?’ vraagt de mevrouw. ‘Ja, over een juf met een hoofddoek en de kinderen van de klas willen weten welk haar daar onder zit.’ We glimlachen. Ik voel ineens het schoolkind in haar.

Ook daarna als we onze picknick verder opeten op de bank: ‘De mama van Aline uit mijn klas zegt dat kindjes door de spleet naar buiten komen, en bij papa’s door hun piemel.’ Ze lacht hardop terwijl ze ‘piemel’ zegt. ‘Nee, Louisa, dat kan niet, een man kan niet zwanger worden, en een baby kan niet door de piemel.’ Jawel, antwoordt ze overtuigd. Met haar knieën op de houten bank en haar handen op de rugleuning wiegt ze heen en weer. Ze blijft strak naar het uitzicht achter haar kijken, alsof alle doden daar bevestigend knikken.

Engelen bestaan in heel lieve mensen die je zachtjes iets in het oor fluisteren, of je troosten als je veel verdriet hebt.

Wellicht is het de aanblik van het grote kruis met Jezus, die de vraag doet opwellen: ‘En Jezus, is die ook hier geboren?’ En daarna: ‘Engelen, bestaan die echt, Bibi?’ (Vorige week vertelde ze me op een grote mensentoon dat alleen Sinterklaas echt is, maar de Kerstman niet en de Paasklokken en de Paashaas zeker niet. Ja, wie gelooft zoiets nu?) Ik zeg haar, over de engelen: ‘Ja en nee, eigenlijk. Ze bestaan in heel lieve mensen die je zachtjes iets in het oor fluisteren, of je troosten als je veel verdriet hebt.’

‘Maar die hebben dan vleugels’, antwoordt ze prompt. ‘Dat zou kunnen.’ ‘Dus je weet het niet goed?’ ‘Nee.’ Ik voel ineens het zweet in mijn nek druppelen en heb al spijt van mijn halfslachtig antwoord. ‘Als er engelen zijn die bestaan en engelen die niet bestaan, dan zijn er niet veel engelen.’ Ze houdt haar armen opzij met open handpalmen om haar overtuiging kracht bij te zetten. De zon schittert in haar ogen. ‘Jij bent slim!’ lach ik. Ik trek haar op mijn schoot en geef de aanzet voor een oud kinderlied waar ze gretig op ingaat. We wippen en zingen voor de hele weide. Haar haar ruikt naar zand en zee. ‘Daaag,’ horen we plots. De dame zwaait terwijl ze langs ons passeert. ‘Dank voor het praatje!’ roept ze. Deze uitspraak verrast me. We zwaaien terug.

Tekst en foto © Brigitte Puissant

Boeiend artikel? Help ons zin vinden en zin delen:

 Dank je wel!

 

2 REACTIES

  1. Natuurlijk bestaan engelen echt en natuurlijk kunnen ze vliegen. Door hun manier van ‘zijn’ kunnen ze niet enkel vliegen, ze laten ook anderen vliegen.

    Louisa is een engel!
    Dankjewel

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here