Lang geleden

0
132
© Ilse Cornu

Louisa en ik zijn op wandel, ik duw haar in de buggy want ze is nog herstellende van roodvonk. Er hangt lente in de lucht, dat bevestigt de beiaard van de Parkabdij met zijn ‘Broeder Jabob’–lied. Afwisselend wandelen we in de zon en op stroken schaduw, langs de robuuste en uitgestrekte gebouwen van de abdij, het glooiende binnenplein, de fietsers en wandelaars, het groen en bruin van de omliggende weiden, de kale struiken en de groenblijvers, de geur van koeienmest.

‘Ik ruik paardenkaka,’ roept Louisa terwijl ze haar roze laarzen de lucht in zwiept. ‘Zouden hier paarden zijn?’ vraag ik, terwijl ik stop en rond me kijk. ‘Zullen we eens gaan zoeken?’ Onmiddellijk grijpt ze mijn hand en lopen we naar de plek die onze neus wijst. ‘Het zijn koeien, zie ik, Louisa!’ Ze wil ze zelf zien. Ik pak haar op. Ze zwijgt en kijkt zolang ik haar kan dragen. (Waren er maar overal opstapjes…)

Een koeienkop is indrukwekkend voor een kind

Een koeienkop is indrukwekkend voor een kind, dat merk ik ook bij JoannaDe ogen staren, zonder hunkering, noch vraag. Misschien stellen ze ons gerust. ‘Ik denk dat koeien- en paardenkaka hetzelfde ruiken,’ concludeert Louisa als ze terug in het blauwe wandelwagentje zit. ‘Dat zou kunnen, dat weet ik niet juist,’ antwoord ik. (Ik besef hoe weinig ik van de wereld ken en hoe dit besef alleen verder zal groeien in de loop van de tijd.)

Zachte mossen hangen aan de oude muren. Plots stapt ze uit, loopt naar het mousse gras, streelt het enkele seconden en zet zich dadelijk terug, zonder commentaar. Alsof ze dat gebaar niet mocht overslaan, zowel op de heen- als op de terug weg.

‘Bibi, kijk, zwarte bessen!’ Ik stop even en bekijk ze samen met haar terwijl ik op mijn hurken zit. ‘Daarjuist koos je voor mij in de boerderijwinkel bessengelei voor op de boterham, weet je nog? Dat waren bosbessen, daar maken ze hier confituur van, maar deze zijn giftig, die mag je niet eten.’ ‘Ja, maar ik denk – en ze knijpt haar ogen tot spleetjes – dat je deze bessen wél kon eten, toen mama en papa klein waren.’ (Deze uitspraak moet ik onthouden. Heeft ze misschien al gehoord over de teloorgang van de natuur?) Ik vraag: ‘Hoe weet je dat?’ ‘Ik weet dat gewoon,’ lacht ze, terwijl ze haar benen weer in de lucht zwaait.

Er schieten me nu soortgelijke uitspraken te binnen. Onlangs, toen ik met haar mijn herstelde laarzen ging ophalen bij de schoenmaker, vroeg ik haar: ‘Louisa ben je al eens bij een schoenmaker geweest?’ ‘Nee,’ zei ze aarzelend. In de winkel fluisterde ze: ‘Het ruikt hier vies.’ Daarna volgde ze alle handelingen: de schoenenmevrouw die de laarzen haalde, ze aan mij liet zien – Louisa keek mee – , ze inpakte, en hoe ik betaalde met mijn bankkaart. Toen we terug op de drukke steenweg stonden, riep ze: ‘Ik ben wél al eens naar een schoenmaker geweest, met mama, maar dat is lang geleden, toen was Flynn nog niet geboren!’ ‘En jij weet dat nog? Dat is inderdaad lang geleden, meer dan anderhalf jaar!’ Ze knikt terwijl ze me met haar blinkende blauwe ogen aankijkt.

Lang geleden… deze uitdrukking gebruik ik ook als we samen naar de foto kijken in mijn slaapkamer: ‘Dat ben ik, met jouw mama en je meter (mijn twee dochters toen ze drie en vijf waren). Dat is lang geleden.’ ‘Het meisje met het rode kleed is mijn mama, hé?’ Ze wijst en blijft kijken, alsof ze ook nog het boord van het kleed, de haardracht, de houding van haar mama preciezer in haar geheugen wil prenten. ‘En waar was ik dan?’, vraagt ze na een tijdje. ‘Dan was je er nog niet,’ antwoord ik. ‘Ik zat toen nog in de buik van mama,’ lacht ze, tuimelend op het bed.

‘En de dieren, waren die er vroeger ook al, Bibi?’

Op een keer vroeg ze me uit het niets: ‘En de dieren, waren die er vroeger ook al, Bibi?’ Als antwoord improviseerde ik een soort van Genesisverhaal. ‘Eerst was het overal donker, toen werd het donker en licht… De maan en de zon zorgden voor licht, er was nog geen grond en geen water… Toen kwam de aarde en de zee…,’ Ze keek naar me op in al haar puurheid tot ze mijn gewichtige toon onderbrak: ‘En toen – met rollende ogen en vingertje in de lucht – kwamen de Dino’s, Bibi!’ ‘Ja, natuurlijk!’ En we lachen en babbelen verder over die kolossale dieren…

En natuurlijk vertel ik haar op de site van de Parkabdij hoe paters en broeders daar lang geleden woonden. ‘Zie je – ik wijs naar de foto’s op de muur van de boerderijwinkel – ze hadden lange kleren aan, ze melkten koeien en kweekten aardappelen op de velden.’ (Ik neem me voor om de geschiedenis van de abdij grondiger te bestuderen.) Ze luistert en knikt. Hoe ze dat nu in haar pienter hoofdje stopt, weet ik niet. Maar niet alles hoeft uitgelegd…

Heel de tijdspanne zit daar bij elkaar. Een hele eeuw. Mijn kleinkinderen dartelen hier, in de schoot van de tijd.

Het voelt wat groots, de stappen die Louisa zet in een verleden tijd. Maar ze doet het niet alleen, wel met haar ouders, grootouders en overgrootouders samen. Alsof de takken van de stamboom armen en handen zijn. Op familiefeesten zie ik het gebeuren, hoe de kleintjes (ze zijn nu in totaal met vier, waarvan drie eigen kleinkinderen) van schoot naar schoot, van arm naar arm verhuizen, en iedereen vertederen. Heel de tijdspanne zit daar bij elkaar. Een hele eeuw. Mijn kleinkinderen dartelen hier, in de schoot van de tijd. Ingebed. Voor altijd.

Tekst: Brigitte Puissant

Geniet ook van de andere oma Bibi-cursiefjes!

Boeiend artikel? Help ons zin vinden en zin delen:

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here