Coronacommissaris Pedro Facon: ‘Ik ben enorm bezig met zingeving’

0
27
Pedro Facon In Don Bosco Kortrijk © Amy Elleboog

Een dik jaar geleden – op 9 oktober 2020 – werd Kortrijkzaan Pedro Facon (40) aangesteld als coronacommissaris van België. ‘Hij moet de olie in de machine worden tijdens deze crisis,’ klonk het bij premier Alexander De Croo. Begin dit jaar kreeg hij een burn-out. Hij verbaasde door daar zeer openhartig over te praten. ‘Vallen en falen hoeven geen drama te zijn in het leven, integendeel. Natuurlijk draag ik de gevolgen nog mee, maar ik heb die beperkingen omarmd.’

Wie dacht dat 9 oktober 2021 gereserveerd was voor een ‘één jaar coronacommissaris’-feestje – coronaproof uiteraard – is eraan voor de moeite, want in zijn drukke schema maakte Pedro net op die dag tijd voor een interview. Een zachte najaarszon nodigt ons uit om neer te ploffen op een bankje op de speelplaats van het Don Boscocollege in Kortrijk. Terwijl we mijmeren over het verleden en de toekomst verschijnt er een guitige glimlach op het gezicht van Pedro. ‘Het is intussen al meer dan 25 jaar geleden, maar op deze plaats zat ik vaak’, blijft hij geheimzinnig. ‘Verliefdheden, je kent het wel.’ (lacht)

We gaan terug naar 1992. De elfjarige Pedro komt als verlegen jongen de grote poort van het Don Boscocollege binnengewandeld. ‘Toen ik hier aankwam, voelde ik me niet zo goed in mijn vel,’ verrast hij. ‘Als kind had ik het prima in een klein schooltje in de buurt, maar in het derde leerjaar moest ik naar een school in Rodenburg (een wijk in Kortrijk). Daar kwam ik terecht in een groep die me niet goed lag. Ik piekerde veel. Het is pas tijdens mijn periode bij Don Bosco dat ik enorme stappen heb gezet op het vlak van persoonlijke ontwikkeling. Ik denk dat ik nog heel wat sociale vaardigheden miste. Daardoor lag ik niet altijd goed in de groep. Maar hier kreeg ik het gevoel dat er ruimte was om mezelf te zijn. Al vanaf het eerste jaar voelde ik dat je als leerling een stem had en dat er bij bepaalde leerkrachten gesproken kon worden over het schoolleven. Er was een zeer grote openheid en een aanvaarding van diversiteit. Elke leerling werd hier naar waarde geschat.’

En dat zorgde voor een goede band met de leerkrachten?

Absoluut! Ik herinner me nog de volksdans op vrijdag. Leerlingen en leerkrachten, samen aan het dansen op de speelplaats. Daaraan merkte je die unieke Don Boscosfeer. De afstand tussen leerlingen, leerkrachten en leidinggevenden was minimaal. Leerkrachten stonden op de speelplaats tussen de jongeren, voetbalden mee, vergezelden ons op kampen, enzovoort. Zij waren dan wel de verantwoordelijken, maar je leerde ook hun menselijke kant kennen. Don Bosco was geen elitaire school: er was net een soort van ‘horizontaal systeem’ waarbij iedereen op gelijke hoogte stond.

Iets wat je in je professionele carrière minder vaak ervaart?

Vaak valt dat beter mee dan iedereen denkt, maar je merkt wel dat bepaalde mensen opgeleid zijn vanuit de veronderstelling dat ze ‘beter’ zijn en tot een elite behoren die ‘logischerwijs’ bepaalde maatschappelijke posities inneemt. Ikzelf heb nooit dat gevoel gehad. Ik ben zeker niet zo opgevoed en probeer de afstand tussen mezelf, mijn medewerkers en iedereen met wie ik werk zo klein mogelijk te houden. Ook in een schoolcontext speelt dat. Je kan er als leraar voor kiezen om niet mee te doen aan de volksdans omdat dat je autoriteit kan aantasten, maar volgens mij toont die deelname juist dat je je kwetsbaar durft op te stellen en ervoor kiest om deel te nemen aan het leven van die jongeren.

De dynamiek van de salesianen op school inspireerde me en heeft me een ander facet van de maatschappij getoond.

Dat hoeft je autoriteit daarom niet te ondermijnen. Er zijn nog zaken blijven hangen. Ik beschouw mezelf bijvoorbeeld als iemand die heel maatschappelijk betrokken is. Ik geloof sterk in participeren in de samenleving, of dat nu in een vereniging, in de buurt of als politicus is. Dat is toch iets dat vanuit de salesianen werd meegegeven en ook mijn leerkrachten hebben dat fel gestimuleerd. Daarnaast ben ik enorm bezig met zingeving. De dynamiek van de salesianen op school inspireerde me en heeft me een ander facet van de maatschappij getoond.

Die salesiaanse dynamiek vertrekt vanuit hun christelijk geloof. Wat heb jij daarvan meegenomen?

Het geloof fascineert me. Op politiek vlak zit ik eerder in de sfeer van de sociaalliberale denkkaders – een ideologie wil ik het zelfs niet noemen. Ik heb tijdens mijn carrière veel mensen ontmoet die zich afkeren van het geloof en de Kerk gelijkstellen met godsdienst. Dat doe ik niet. Ik zie heel veel persoonlijke en sociale waarden in het gelovig zijn. Toen ik in het derde middelbaar zat, maakte ik deel uit van het parochiale animatiegroepje op school. Ik herinner me Hans nog, een leuke, knappe, sociale, grappige, intelligente man. Velen vonden dat Hans de ideale man had kunnen zijn, maar hij was salesiaan en koos resoluut voor het geloof. En zo waren er nog een paar. Voor mij zijn salesianen meer dan het traditionele geloof. Je kan hen niet vergelijken met de ‘oude’ stijl van de godsdienst. Zij zijn meegegaan met de tijd en daarvoor heb ik veel respect.

Ik zie heel veel persoonlijke en sociale waarden in het gelovig zijn.

Ben je zelf ook gelovig?

Gelovig… (denkt na) Ik ben een agnost; ik weet het niet goed. Ik ben geen atheïst, maar kan ook niet zeggen dat ik gelovig ben. Voor mij is godsdienst één vorm van zingeving. Nadenken over ‘wat is de zin van het leven, wat is mijn plaats daarin en wat is het grotere verhaal’ boeit mij. Geloof is daarvoor één uitgangspunt, maar er zijn nog veel andere manieren. Er is sowieso een mysterie in het menselijk bestaan, maar eerder dan te denken dat daar een soort van god achter zit, ben ik gefascineerd door dat mysterie en door de vraag ‘hoe kan je voor jezelf en voor je medemens iets zinnigs doen gedurende de tijd dat je hier bent?’ Wanneer je teruggaat naar de basis van het geloof, merk je dat figuren zoals Jezus of de apostelen bezig waren met moraliteit en zochten naar waarden die ze wilden uitdragen. Dat staat los van zaken die er nadien bij kwamen zoals de Bijbel, godsdienst, de politisering van de Kerk, enzovoort. Sommige mensen bekijken die levensvragen wel vanuit hun godsdienst en daar heb ik veel respect voor. Meer zelfs, ik ben daar soms zelfs wat jaloers op omdat ik denk dat dat een zeer sterk houvast kan zijn. Maar de vragen waar zij mee bezig zijn, zijn volgens mij dezelfde als die van zovele mensen die zich vandaag inzetten als vrijwilliger. Waarover gaat dat? Over zin geven aan iets. Daarin geloof ik.

We zullen je dus niet snel in een kerk vinden?

Grappige vraag, want de kapel was net wél een belangrijke plaats voor mij. Ik herinner me  nog hoe ik met enkele vrienden liedjes op het orgel componeerde. En ja, wij mochten daar komen; het is een Don Boscoschool, hé! (lacht) Maar ook los daarvan vind ik plaats en ruimte voor bezinning erg belangrijk. Toen ik op school zat, dacht ik soms: ‘Oh nee, ochtendwijding’, maar achteraf besef je dat het eigenlijk een rustpunt was. Een moment waar je samen even stilstaat bij een bepaalde boodschap of een idee.

De geestelijke gezondheidszorg loopt vol. En die staat voor mij symbool voor het ‘geen zin hebben in het leven’. Hoe ga je om met het feit dat onze samenleving massaal naar zin zoekt?

Best treffend, want vandaag is onze samenleving behoorlijk ontkerkelijkt, terwijl iedereen wel op zoek is naar zingeving, een rustpunt, een moment om even te ontsnappen. Mindfulness, yoga, sociale betrokkenheid, noem maar op. De coronacrisis was daar een duidelijk bewijs van. De geestelijke gezondheidszorg loopt vol. En die staat voor mij symbool voor het ‘geen zin hebben in het leven’. Hoe ga je om met het feit dat onze samenleving massaal zoekt naar zin?

‘De kapel was net wél een belangrijke plaats voor mij. Ik herinner me nog hoe ik met enkele vrienden liedjes op het orgel componeerde.’

Over de coronacrisis gesproken: wat houdt dat nu precies in, coronacommissaris zijn?

Exact een jaar geleden werd ik aangesteld met als taak de communicatie tussen de verschillende actoren in goede banen te leiden. Tijdens zo’n crisis zijn er heel wat sectoren betrokken en er was dringend behoefte aan iemand die de informatie-uitwisseling en afstemming verbeterde. Ik was inderdaad de olie in de machine die iedereen zo goed mogelijk moest laten samenwerken. Tijdens het overlegcomité van de regeringen stelde ik een dossier voor waarin ik de epidemiologische situatie toelichtte. Tijdens het politiek debat was mijn rol grotendeels uitgespeeld, maar ik beantwoordde wel nog vragen of onderzocht bepaalde zaken verder.

Je bewees je stressbestendigheid al in eerdere functies als kabinetschef gezondheidszorg van minister Maggie De Block en directeur-generaal van de FOD Volksgezondheid. Maar zelfs voor jou werd de druk bij je nieuwe functie te veel….

Mijn burn-out (knikt). Voor mij is het geen taboe, want ik heb er zelf voor gekozen om daarover te spreken in De Zevende Dag en in HUMO. Het is natuurlijk niet gemakkelijk om toe te geven dat je erdoorheen zit, maar ik ontving enorm veel steun van mijn partner, mijn familie, vrienden, mijn team, politici. Weet je … ik wilde slagen en bewijzen dat het een goede keuze was om mij aan te wijzen als commis­saris, maar op een bepaald moment werd het te veel. In mijn hoofd had ik het beeld gevormd dat dat een drama was voor mezelf, mijn team en de regering, maar achteraf gezien was dat helemaal niet zo. Het was niet leuk en ik had een zware confrontatie met mezelf, maar zowel ikzelf, mijn team als het coronabeleid zijn er sterker uitgekomen.

‘Willen we jongeren veerkrachtig maken? Dan moeten we hen als maatschappij niet opleggen wat ze moeten doen om perfect te zijn, maar juist zorgen dat ze kracht vinden in zichzelf.’

Wat bedoel je met die confrontatie met jezelf?

Het is moeilijk te erkennen dat je het niet meer aankunt, maar als je het kan herkennen en tijdig acties onderneemt voor jezelf, kan je sterker terugkomen. Ik geniet nu ook niet minder respect. Vallen en falen hoeven geen drama te zijn in het leven, integendeel. Natuurlijk draag ik de gevolgen nog mee, maar ik heb die beperkingen omarmd.

Iedereen streeft naar perfectie, maar de imperfectie en het aanvaarden van jezelf maakt ons juist meer mens.

Een goede vriend van mij zei: ‘De mens is gebiologeerd om perfect te zijn’. Dat klopt. We willen alles goed doen: je moet goed zijn op school, in je werk, in de sportclub of muziekles én sociaal sterk zijn. Soms lijkt het alsof er een vast draaiboek is voor perfectie; alsof je alle kegeltjes moet omgooien. Ik heb al veel kegeltjes kunnen raken, maar soms mis je er eentje en dat is niet erg. Die imperfectie, het aanvaarden van onszelf en het beseffen dat het niet altijd rozengeur en maneschijn is, moeten we juist koesteren. Dat maakt ons meer mens dan altijd die perfectie na te streven. En dat geldt zeker ook voor jongeren. Willen we hen veerkrachtig maken? Dan moeten we hen als maatschappij niet opleggen wat ze moeten doen om perfect te zijn, maar juist zorgen dat ze kracht vinden in zichzelf. Dat ze zichzelf door en door kennen en weten wat hun talenten en valkuilen zijn. Jongeren moeten kiezen wie ze willen zijn en dat niet laten definiëren door de samenleving.

© Don Bosco magazine

Tekst: Tim Bex
Foto’s © Emy Elleboog

www.donbosco.be

Boeiend artikel? Help ons zin geven en delen

 Dank je wel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here